Eiser heeft beroep ingesteld tegen het UWV-besluit van 14 december 2020 over de toekenning van een WIA-uitkering, specifiek tegen de vaststelling van het dagloon. De rechtbank behandelde het beroep op 12 januari 2022 en stelde bij tussenuitspraak vast dat het UWV niet adequaat had gereageerd op de bezwaren van eiser over de dagloonberekening. Het UWV kreeg de gelegenheid om dit te herstellen en diende op 23 februari 2022 en 20 april 2022 nadere motiveringen in.
Eiser stelde dat het dagloon te laag was vastgesteld omdat het UWV de WW-uitkering over mei 2018 niet had meegenomen in de berekening. De rechtbank oordeelde dat het beroep gegrond is vanwege strijd met het motiveringsbeginsel en vernietigde het besluit voor zover het dagloon niet was heroverwogen. Het griffierecht werd aan eiser vergoed en het UWV werd veroordeeld tot betaling van proceskosten.
De rechtbank stelde vast dat het UWV het dagloon correct heeft vastgesteld op € 51,30, omdat de WW-uitkering over juni 2018 buiten de referteperiode viel en de betaling van mei 2018 in juni 2018 was verwerkt. Hierdoor bleef de rechtsgevolgen van het besluit in stand nadat het gebrek was hersteld. De uitspraak werd gedaan door rechter L.P. Hertsig op 31 mei 2022.