Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
1.Beslissing
2.Gronden
2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Belanghebbende diende in 2012 een aangifte inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PVV) in over het jaar 2011. De inspecteur legde daarop aanslagen op conform deze aangifte. Later bleek uit een strafrechtelijk onderzoek dat belanghebbende betrokken was bij hennepkwekerijen en diefstal van elektriciteit, waarvoor hij ook strafrechtelijk is veroordeeld. Tevens werd een vermogensvergelijking opgesteld waaruit bleek dat belanghebbende meer had uitgegeven dan zijn opgegeven inkomen.
De inspecteur legde navorderingsaanslagen IB/PVV en Zvw op, inclusief heffingsrente en een vergrijpboete. Belanghebbende maakte bezwaar tegen deze aanslagen, maar dit bezwaar werd niet-ontvankelijk verklaard vanwege te late indiening en als verzoek om ambtshalve vermindering aangemerkt. Dit verzoek werd afgewezen, waarna belanghebbende beroep instelde tegen deze afwijzing.
De rechtbank oordeelde dat belanghebbende onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat de navorderingsaanslagen te hoog waren vastgesteld. Ook was niet aannemelijk dat de opgelegde boete onterecht was. De beroepen werden daarom ongegrond verklaard. De rechtbank zag geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
Uitkomst: Het beroep van belanghebbende tegen de afwijzing van het verzoek om ambtshalve vermindering van navorderingsaanslagen IB/PVV en Zvw 2011 is ongegrond verklaard.