Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
1.Beslissing
2.Gronden
2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Belanghebbende maakte bezwaar tegen aanslagen inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PVV) en de inkomensafhankelijke bijdrage Zorgverzekeringswet (Zvw) over de jaren 2016, 2017 en 2018. De rechtbank behandelde de beroepen op 6 april 2022, waarbij belanghebbende niet aanwezig was ondanks tijdige uitnodiging.
De kern van het geschil betrof de vraag of de activiteiten van belanghebbende een bron van inkomen vormden, waarbij vooral de redelijkheid van het te verwachten voordeel uit onderneming werd betwist. Belanghebbende voerde verliezen en een stijgende omzetlijn aan, maar kon niet aannemelijk maken dat zij redelijkerwijs voordeel kon verwachten. De rechtbank oordeelde dat de inspecteur de aanslagen terecht had vastgesteld zonder het opgegeven verlies te accepteren.
Verder wees de rechtbank het verzoek tot aanhouding af vanwege het late tijdstip en het ontbreken van concrete afspraken. Ook werden verzoeken tot het horen van getuigen afgewezen wegens gebrek aan initiatief van belanghebbende. Betalingsproblemen werden als niet-onderwerp van de procedure beschouwd. De rechtbank concludeerde dat de aanslagen en de belastingrente terecht waren opgelegd en verklaarde de beroepen ongegrond.
Uitkomst: De beroepen tegen de aanslagen IB/PVV en Zvw 2016-2018 zijn ongegrond verklaard.