ECLI:NL:RBZWB:2022:3042

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
3 juni 2022
Publicatiedatum
3 juni 2022
Zaaknummer
AWB- 22_2245 VV en AWB- 22_2246 VV
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:75a AwbArt. 8:82 AwbArt. 8:83 AwbArt. 8:84 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek om proceskostenveroordeling na intrekking voorlopige voorziening

Verzoekers maakten bezwaar tegen besluiten van het college van burgemeester en wethouders van Bergen op Zoom waarin een last onder dwangsom werd opgelegd vanwege opslag van bedrijfsmaterialen op een perceel. Zij vroegen om een voorlopige voorziening, maar trokken dit verzoek op 5 mei 2022 in met het verzoek het college te veroordelen in de proceskosten.

Het college had de begunstigingstermijn bij besluiten van 26 april 2022 verlengd tot twee weken na de beslissing op bezwaar, waarmee het tegemoet was gekomen aan verzoekers. De voorzieningenrechter overwoog echter dat verzoekers voorafgaand aan het verzoek om voorlopige voorziening niet hadden geprobeerd het college te bewegen de uitvoering van het besluit op te schorten, terwijl dit wel mogelijk was.

Daarom zag de voorzieningenrechter onvoldoende aanleiding om het college te veroordelen in de proceskosten. Wel werd het griffierecht van €184,- per verzoeker terugbetaald. Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.

Uitkomst: Verzoeken om proceskostenveroordeling worden afgewezen; griffierecht wordt terugbetaald.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Bestuursrecht
zaaknummers: BRE 22/2245 GEMWT VV en BRE 22/2246 GEMWT VV
uitspraak van 3 juni 2022 van de voorzieningenrechter op het verzoek om veroordeling in de proceskosten in de zaken tussen
1. [naam verzoekster 1]te [vestigingsplaats verzoekster 1] , verzoekster 1,
2. [naam verzoeker 2] ,te [woonplaats verzoeker 2], verzoeker 2,
gemachtigde: mr. E.C.J. Wouters,
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Bergen op Zoom, verweerder.

Procesverloop

Verzoekers hebben bezwaar gemaakt tegen de besluiten van 15 april 2022 en 20 april 2022 (bestreden besluiten) van het college over het opleggen van een last onder dwangsom vanwege de opslag van bedrijfsmaterialen op het perceel aan [adres perceel] in [plaats perceel] . Verzoekers hebben de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.
Naar aanleiding van de ingediende verzoeken om voorlopige voorziening heeft de rechtbank het college op 25 april 2022 gevraagd of het college bereid is om de begunstigingstermijn op te schorten tot na de beslissing op bezwaar dan wel de uitspraak van de voorzieningenrechter. Naar aanleiding van die vraag heeft het college de begunstigingstermijn bij besluiten van 26 april 2022 verlengd, tot twee weken na de beslissing op het bezwaarschrift.
Vervolgens hebben verzoekers de verzoeken om voorlopige voorziening op 5 mei 2022 ingetrokken, met het verzoek om het college te veroordelen in de proceskosten. Verweerder heeft daar bij brieven van 18 mei 2022 op gereageerd.
De voorzieningenrechter heeft, met toepassing van artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), een behandeling van de verzoeken ter zitting achterwege gelaten.

Overwegingen

1. Op grond van artikel 8:75a, eerste lid, van de Awb in samenhang bezien met artikel 8:84, vijfde lid, van de Awb, kan de voorzieningenrechter, indien een verzoek om voorlopige voorziening wordt ingetrokken omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het verzoekschrift is tegemoetgekomen, het bestuursorgaan veroordelen in de proceskosten.
2. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter blijkt uit de besluiten van 26 april 2022 dat het college aan verzoekers is tegemoetgekomen door de begunstigingstermijn te verlengen tot na de beslissing op bezwaar. Vast staat echter ook dat verzoekers, voordat een verzoek om voorlopige voorziening werd ingediend, niet hebben geprobeerd om het college ertoe te bewegen de uitvoering van de bestreden besluiten op te schorten. Uit de reactie van het college op de verzoeken om proceskosten van 18 mei 2022 blijkt ook dat verzoekers het college daartoe hadden kunnen verzoeken. Gelet hierop ziet de voorzieningenrechter onvoldoende aanleiding om het college te veroordelen in de door verzoekers gemaakte proceskosten. De verzoeken daartoe zullen dan ook worden afgewezen.
3. De voorzieningenrechter overweegt ten overvloede dat de griffier op grond van artikel 8:82, vierde lid, van de Awb het griffierecht van € 184,- aan verzoekster 1 en het griffierecht van € 184,- aan verzoeker 2 zal terugbetalen.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst de verzoeken om proceskostenveroordeling af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R.P. Broeders, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. N. van Asten, griffier, op 3 juni 2022 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
griffier voorzieningenrechter
Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.