ECLI:NL:RBZWB:2022:3236

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
14 juni 2022
Publicatiedatum
14 juni 2022
Zaaknummer
02-229099-21
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Vrijspraak
Procedures
  • Op tegenspraak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vrijspraak wegens onvoldoende bewijs woninginbraak te Werkendam

Op 25 augustus 2021 vond een woninginbraak plaats te Werkendam waarbij een ring en armband werden weggenomen. Verdachte werd samen met twee medeverdachten in een auto aangetroffen ruim anderhalf uur na de inbraak.

De rechtbank oordeelde dat er onvoldoende bewijs was dat verdachte betrokken was bij de inbraak. Camerabeelden toonden twee daders, maar verdachte kon niet overtuigend worden herkend. Er werd geen buit in de auto gevonden en onderzoek van telefoons, schoensporen en vingerafdrukken toonde geen betrokkenheid aan.

De verdediging benadrukte dat verdachte pas 20 minuten in de auto zat en er geen bewijs was voor zijn betrokkenheid. De officier van justitie verzocht vrijspraak wegens gebrek aan bewijs. De rechtbank volgde dit en sprak verdachte vrij van het tenlastegelegde feit.

Uitkomst: Verdachte wordt vrijgesproken wegens onvoldoende wettig en overtuigend bewijs van betrokkenheid bij woninginbraak.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Strafrecht
Zittingsplaats: Breda
parketnummer: 02/229099-21
vonnis van de meervoudige kamer van 14 juni 2022
in de strafzaak tegen
[verdachte]
geboren op [geboortedag] 1996 te [geboorteplaats]
feitelijk verblijvende te [adres 1]
volgens de basisregistratie personen verblijvende te Raadhuisplein 1, 6711 DE Ede
raadsman mr. B.J. de Pree, advocaat te Utrecht

1.Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 31 mei 2022, waarbij de officier van justitie, mr. L. den Braber, en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

2.De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.
De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte op 25 augustus 2021 te Werkendam samen met anderen heeft ingebroken in een woning en daar een ring en een armband heeft weggenomen.

3.De voorvragen

De dagvaarding is geldig.
De rechtbank is bevoegd.
De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging.
Er is geen reden voor schorsing van de vervolging.

4.De beoordeling van het bewijs

4.1
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie verzoekt verdachte vrij te spreken van het tenlastegelegde feit vanwege het ontbreken van wettig en overtuigend bewijs.
4.2
Het standpunt van de verdediging
De verdediging is van mening dat de rechtbank niet tot een bewezenverklaring kan komen en wijst daarbij op de omstandigheid dat slechts kan worden vastgesteld dat sprake was van twee daders. Daarnaast zat verdachte pas 20 minuten in de auto, wat door medeverdachte [medeverdachte 1] is bevestigd. Uit de overige in het procesdossier aanwezige stukken blijkt ook geen betrokkenheid van verdachte bij de inbraak. De verdediging stelt dat vrijspraak dient te volgen vanwege gebrek aan wettig bewijs. Subsidiair voert de verdediging aan dat indien de rechtbank wel wettig bewijs ziet, daaruit niet de benodigde overtuiging kan volgen.
4.3
Het oordeel van de rechtbank
De rechtbank stelt vast dat op 25 augustus 2021 omstreeks 20.17 uur een inbraak heeft plaatsgevonden in de woning van [naam] aan de [adres 2] te Werkendam, waarbij aan de achterzijde van de woning braakschade is ontstaan aan het raam. Uit de woning zijn een ring en een armband weggenomen.
De rechtbank dient de vraag te beantwoorden of verdachte – al dan niet als medepleger –
betrokken is geweest bij deze woninginbraak.
De rechtbank stelt op basis van het dossier vast – in het bijzonder gelet op de camerabeelden en de getuigenverklaringen – dat sprake is van twee daders. De betrokkenheid van een derde persoon kan niet worden vastgesteld.
Getuige [getuige 1] werd in de nabije omgeving en rond het tijdstip van de woninginbraak ingehaald door een hard rijdende zwarte KIA met kenteken [kenteken] . Dit kenteken is vervolgens in het ANPR-systeem gezet. Omstreeks 21.47 uur volgt een ANPR-hit op dit kenteken. Nadat het voertuig in Gameren is staande gehouden blijken in het voertuig drie mannen te zitten, te weten medeverdachte [medeverdachte 2] , medeverdachte [medeverdachte 1] en verdachte.
Verdachte ontkent ten stelligste dat hij betrokken is geweest bij de woninginbraak. Hij heeft verklaard dat hij pas 20 minuten in de auto zat.
De rechtbank is van oordeel dat het aantreffen van verdachte in de auto niet zonder meer de conclusie rechtvaardigt dat hij betrokken is geweest bij de woninginbraak gelet op het tijdsverloop van ongeveer anderhalf uur tussen het wegrijden uit Werkendam en de staandehouding in Gameren. De reistijd van Werkendam naar Gameren bedraagt namelijk ongeveer een half uur en de rechtbank kan niet vaststellen wat in de tussentijd heeft plaatsgevonden. Bovendien is in de auto ook geen buit aangetroffen.
Ook uit het onderzoek naar de telefoons, de schoensporen en de dactyloscopische sporen blijkt geen betrokkenheid van verdachte bij de woninginbraak.
Tot slot zijn op de beelden van de cameradeurbel van getuige [getuige 2] , zijnde de buurman van aangever, twee mannen te zien. Een van de mannen is door de verbalisanten herkend als medeverdachte [medeverdachte 1] . Ondanks dat verdachte gelijkenissen vertoont met de andere man op de beelden, is de rechtbank van oordeel dat de beelden onvoldoende overtuigend zijn om verdachte daarop te herkennen. Daar komt bij dat verdachte bij zijn staandehouding niet dezelfde kleding droeg als de persoon op de beelden en deze kleding ook niet in de auto is aangetroffen.
Met de officier van justitie en de verdediging is de rechtbank kortom van oordeel dat er onvoldoende wettig bewijs is dat verdachte zich, al dan niet als medepleger, heeft schuldig gemaakt aan de woninginbraak. De rechtbank zal hem dan ook van dat feit vrijspreken.

5.De beslissing

De rechtbank:
Vrijspraak
-
spreekt verdachte vrijvan het tenlastegelegde feit.
Dit vonnis is gewezen door mr. J.F.C. Janssen, voorzitter, mr. C.H.W.M. Sterk en
mr. D.L.J. Martens, rechters, in tegenwoordigheid van mr. A. van Krevel, griffier, en is uitgesproken ter openbare zitting op 14 juni 2022.