Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
1.Beslissing
2.Gronden
2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Belanghebbende, woonachtig in Duitsland, maakte bezwaar tegen de aanslag inkomstenbelasting 2017 die was vastgesteld op basis van een geschat inkomen van €19.950, vermeerderd met belastingrente. De inspecteur had het bezwaar ongegrond verklaard vanwege het ontbreken van een inkomensverklaring en bewijsstukken voor aftrekposten.
Tijdens de zitting overhandigde belanghebbende alsnog een inkomensverklaring, waardoor onomstreden werd dat hij kwalificerende buitenlandse belastingplichtige is en recht heeft op bepaalde belastingvoordelen. De rechtbank beoordeelde vervolgens de aftrekposten: hypotheekkosten, specifieke zorgkosten en advocaatkosten.
De rechtbank volgde de inspecteur in de redelijke beperking van de hypotheekkosten tot €921, rekening houdend met gedeeld eigendom en het eigenwoningforfait. De zorgkosten werden afgewezen wegens het ontbreken van bewijsstukken, ondanks het overzicht van belanghebbende. Eveneens werden de advocaatkosten niet erkend wegens onvoldoende onderbouwing.
De belastingrente werd aangepast in overeenstemming met de vermindering van de aanslag. De rechtbank veroordeelde de inspecteur tot vergoeding van het griffierecht, maar wees proceskostenveroordeling af wegens gebrek aan bewijs van gemaakte kosten door belanghebbende.
Uitkomst: De aanslag inkomstenbelasting 2017 wordt verminderd tot een belastbaar inkomen van €19.029 met aftrek van hypotheekkosten, terwijl zorg- en advocaatkosten worden afgewezen.