ECLI:NL:RBZWB:2022:3308

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
16 juni 2022
Publicatiedatum
20 juni 2022
Zaaknummer
AWB- 20_9986
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:41 AwbArt. 8:54 AwbArt. 8:75 AwbArt. 8:75a AwbBesluit proceskosten bestuursrecht
Verwijzingen
6 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Proceskostenveroordeling na intrekking besluit wapenverlof en jachtakte

In deze bestuursrechtelijke procedure heeft de korpschef op 18 maart 2020 het wapenverlof en de jachtakte van verzoeker ingetrokken. Verzoeker stelde hiertegen administratief beroep in, dat door verweerder op 3 november 2020 ongegrond werd verklaard. Verzoeker ging in beroep bij de rechtbank.

Op 13 april 2022 trok verweerder het bestreden besluit in en verklaarde het administratief beroep gegrond. Naar aanleiding hiervan trok verzoeker het beroep bij de rechtbank in en verzocht om een proceskostenveroordeling van verweerder.

De rechtbank heeft zonder zitting uitspraak gedaan en geoordeeld dat verweerder aan het beroep van verzoeker is tegemoetgekomen. Daarom is het verzoek om proceskostenveroordeling kennelijk gegrond en wordt verweerder veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten ad € 759,-. Daarnaast wijst de rechtbank erop dat verweerder verplicht is het griffierecht van € 354,- te vergoeden.

Uitkomst: De rechtbank veroordeelt de Staatssecretaris tot vergoeding van proceskosten ad € 759,- na intrekking van het bestreden besluit.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: BRE 20/9986

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 16 juni 2022 in de zaak tussen

[naam verzoeker] , uit [plaatsnaam] , verzoeker

(gemachtigde: mr. M.J.J.E. Stassen),
en

de Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, verweerder.

Procesverloop

In het besluit van 18 maart 2020 (primair besluit) heeft de korpschef het wapenverlof en de jachtakte van eiser ingetrokken.
In het besluit van 3 november 2020 (bestreden besluit) heeft verweerder het administratief beroep van verzoeker ongegrond verklaard.
Verzoeker heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
In het besluit van 13 april 2022 heeft verweerder het bestreden besluit ingetrokken en in plaats daarvan besloten het administratief beroep gegrond te verklaren.
Naar aanleiding hiervan heeft verzoeker het beroep ingetrokken met daarbij het verzoek verweerder te veroordelen tot vergoeding van de proceskosten.
De rechtbank heeft verweerder in de gelegenheid gesteld te reageren op dat verzoek.
Verweerder heeft de rechtbank meegedeeld dat zij zich niet verzet tegen een veroordeling in de proceskosten.

Overwegingen

De rechtbank doet op grond van artikel 8:54 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) zonder zitting uitspraak op het verzoek om proceskostenveroordeling.
De veroordeling van een partij in de proceskosten is geregeld in de artikelen 8:75 en 8:75a van de Awb en nader uitgewerkt in het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb). Als een beroep wordt ingetrokken, omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het beroepschrift is tegemoet gekomen, kan de rechtbank op verzoek van de indiener dat bestuursorgaan bij afzonderlijke uitspraak veroordelen in de proceskosten. Dit is geregeld in artikel 8:75a van de Awb.
Gelet op de gedingstukken en het hiervoor weergegeven procesverloop is verweerder tegemoet gekomen aan het beroep van verzoeker.
De beoordeling hierna over de gevraagde proceskostenveroordeling beperkt zich tot de beroepsfase.
Het verzoek wordt als kennelijk gegrond toegewezen. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door verzoeker gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Bpb voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 759,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift met een waarde per punt van € 759,- met een wegingsfactor 1).
De rechtbank wijst erop dat verweerder op grond van artikel 8:41, zevende lid, van de Awb verplicht is het door verzoeker betaalde griffierecht van € 354,- te vergoeden. Verzoeker zal zich hiervoor dan ook tot verweerder moeten wenden.

Beslissing

De rechtbank veroordeelt verweerder in de proceskosten van verzoeker tot een bedrag van € 759,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. L.P. Hertsig, rechter, in aanwezigheid van mr. T.A.A. van Hooijdonk, griffier, op 17 juni 2022 en openbaar gemaakt door geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Bent u het niet eens met deze uitspraak?

Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de rechtbank waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een verzetschrift. U moet dit verzetschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven. Als u graag een zitting wilt waarin u uw verzetschrift kunt toelichten, kunt u dit in uw verzetschrift vermelden.