ECLI:NL:RBZWB:2022:3323

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
22 juni 2022
Publicatiedatum
20 juni 2022
Zaaknummer
AWB- 21_1099
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:41 AwbArt. 8:54 Awb
Verwijzingen
3 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verzet tegen afwijzing vergoeding griffierecht na intrekking beroep tegen RDW-besluit

Opposant stelde beroep in tegen een besluit van de RDW waarin zijn bezwaar tegen de weigering van een vervangende kentekencard en tenaamstellingscode voor een aanhangwagen ongegrond werd verklaard. Na afgifte van een nieuw kenteken trok opposant het beroep in met het verzoek om vergoeding van de proceskosten en het griffierecht.

De rechtbank wees dit verzoek af, waarna opposant verzet instelde tegen deze afwijzing, specifiek gericht op de vergoeding van het griffierecht. De verzetrechter oordeelde dat op grond van artikel 8:41, zevende lid, Awb bij intrekking van het beroep vanwege tegemoetkoming door het bestuursorgaan het griffierecht wordt vergoed, maar dat de beoordeling of er sprake is van tegemoetkoming niet aan de rechter is.

De verzetrechter vond geen aanleiding de eerdere uitspraak te wijzigen en bevestigde dat het verzoek tot vergoeding van het griffierecht terecht werd afgewezen. Het verzet werd ongegrond verklaard en de uitspraak bleef in stand.

Uitkomst: Het verzet tegen de afwijzing van het verzoek tot vergoeding van het griffierecht wordt ongegrond verklaard.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: BRE 21/1099 WVW V

uitspraak van 22 juni 2022 van de enkelvoudige kamer op het verzet van

[naam opposant] , te [plaatsnaam] , opposant.

Procesverloop

Opposant heeft beroep ingesteld tegen het besluit van 17 februari 2021. De directie van de RDW heeft daarbij het bezwaar van opposant tegen de weigering hem een vervangende kentekencard en tenaamstellingscode voor een aanhangwagen te verstrekken ongegrond verklaard.
Bij brief van 10 februari 2022 heeft de RDW aan de rechtbank medegedeeld dat aan opposant op 16 juli 2021 een nieuw kenteken voor de aanhangwagen is afgegeven. Opposant heeft het beroep daarna ingetrokken, met het verzoek de RDW te veroordelen in de proceskosten.
Bij uitspraak van 8 maart 2022 heeft de rechtbank het verzoek tot vergoeding van de proceskosten en het griffierecht afgewezen.
Opposant heeft tegen deze uitspraak verzet ingesteld.
Opposant heeft niet verzocht om op een zitting te worden gehoord. De verzetrechter heeft daarvoor ook geen aanleiding gezien, zodat een zitting achterwege is gebleven.

Overwegingen

1. De rechtbank heeft in de beroepszaak uitspraak gedaan zonder zitting. Artikel 8:54 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) biedt die mogelijkheid als het eindoordeel buiten redelijke twijfel staat. De rechtbank heeft het verzoek om vergoeding van de proceskosten afgewezen. De rechtbank heeft het verzoek mede begrepen als een verzoek om vergoeding van het griffierecht. De rechtbank heeft ook dat verzoek afgewezen.
2. In deze verzetzaak dient uitsluitend te worden beoordeeld of de rechtbank in de uitspraak terecht heeft geoordeeld dat buiten redelijke twijfel is dat de verzoeken om vergoeding van de proceskosten en het griffierecht dienen te worden afgewezen.
3. Opposant voert tegen de uitspraak van de rechtbank aan dat de RDW heeft erkend dat er eerder een fout is gemaakt. Het griffierecht moet daarom aan hem worden terugbetaald, aldus opposant.
4. Het verzet ziet niet op de afwijzing van het verzoek om vergoeding van proceskosten, maar enkel op het griffierecht.
Artikel 8:41, zevende lid, van de Awb bepaalt dat indien het beroep wordt ingetrokken omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het beroep is tegemoet gekomen, het bestuursorgaan aan de indiener het door deze betaalde griffierecht vergoedt.
5. De verzetrechter overweegt dat blijkens de tekst van artikel 8:41, zevende lid én de toelichting op dat artikellid bij een intrekking van het beroep de verplichting tot het vergoeden van het griffierecht voortvloeit uit het artikellid zelf. De beoordeling van de vraag of er sprake is van “tegemoetkoming aan” is niet aan de bestuursrechter. Voor die gevallen waarin een eiser het niet eens is met de beslissing van het bestuursorgaan om het griffierecht niet op grond van artikel 8:41, lid 7 of lid 8 (in andere gevallen kan het bestuursorgaan het griffierecht vergoeden), heeft de wetgever ervoor gekozen om geen beroep op de bestuursrechter mogelijk te maken.
6. In wat opposant heeft aangevoerd ziet de verzetrechter dan ook geen aanleiding om anders te oordelen dan in de uitspraak van de rechtbank van 8 maart 2022. Naar het oordeel van de verzetrechter heeft de rechtbank in de uitspraak - weliswaar op andere gronden - terecht geoordeeld dat buiten redelijke twijfel is dat het verzoek om vergoeding van het griffierecht dient te worden afgewezen.
Het verzet is ongegrond. Dit betekent dat de uitspraak in stand blijft.
7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het verzet ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R.P. Broeders, rechter, in aanwezigheid van
mr. W.J.C. Goorden, griffier, op 22 juni 2022 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
griffier rechter
Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.