Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
uitspraak van de voorzieningenrechter van 22 juni 2022 in de zaak tussen
Procesverloop
Het college heeft een verweerschrift ingediend.
Overwegingen
1. Feiten
2. Gronden
3. Kortsluiting
4. Wettelijk kader
5. Beoordeling
“I live here”. Gezien de verklaringen van zowel verzoekster sub 1 en de heer [naam bewoner] heeft het college terecht geconcludeerd dat sprake is van bewoning. Het feit dat op het perceel niet alle voor een gebruikelijke woonbestemming nodige voorzieningen aanwezig zijn, maakt niet dat niet kan worden gesproken van bewoning. De voorzieningenrechter is van oordeel dat daarom sprake is van een overtreding van artikel 2.1, eerste lid, onder c, van de Wabo.
Beslissing
- verklaart het beroep gegrond, voor zover het betrekking heeft op het niet-ontvankelijk verklaren van het bezwaar van verzoeker sub 2;
- vernietigt het bestreden besluit voor zover daarbij verzoeker sub 2 niet-ontvankelijk is verklaard.
- bepaalt dat verzoeker sub 2 ontvankelijk is in zijn bezwaar en dat zijn bezwaar, gelijk aan het bezwaar van verzoekster sub 1, ongegrond wordt verklaard.
- bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde gedeelte van het bestreden besluit;
- verklaart het beroep voor het overige ongegrond;
- wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af;
- draagt het college op het betaalde griffierecht van € 181,- aan verzoeker sub 2 te vergoeden;
- veroordeelt het college in de proceskosten van verzoeker 2 tot een bedrag van € 1534,-.