Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
1.Onderzoek van de zaak
2.De tenlastelegging
3.De voorvragen
4.De beoordeling van het bewijs
5.De beslissing
spreekt verdachte vrijvan het ten laste gelegde feit.
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
De rechtbank Zeeland-West-Brabant behandelde op 27 juni 2022 de zaak tegen verdachte die werd verdacht van medeplichtigheid aan het hebben van een hennepkwekerij in haar woning van mei 2020 tot januari 2021.
De officier van justitie en de verdediging vorderden beiden vrijspraak, waarbij de verdediging tevens een vormverzuim aanvoerde. De rechtbank oordeelde dat het opsporingsonderzoek rechtmatig was, omdat er een redelijk vermoeden van overtreding van de Opiumwet bestond op basis van geuren, energiemetingen en warmtebronnen.
Feitelijk stond vast dat verdachte samen met haar echtgenoot en kinderen in de woning woonde waar een hennepkwekerij met 206 planten op zolder werd aangetroffen. Verdachte was hiervan op de hoogte en had ruzie met haar echtgenoot over de kwekerij, maar stond niet achter zijn activiteiten.
De rechtbank concludeerde dat verdachte geen actieve bijdrage had geleverd en dat er geen rechtsplicht tot handelen bestond om de kwekerij te beëindigen. Er was geen bewijs van opzet of medeplichtigheid door passiviteit. Daarom werd verdachte vrijgesproken van het ten laste gelegde feit.
Uitkomst: Verdachte wordt vrijgesproken van medeplichtigheid aan hennepteelt wegens ontbreken van actieve bijdrage en opzet.