Belanghebbende verzocht om voortzetting van de 30%-regeling voor ingekomen werknemers voor de periode na 31 augustus 2019. De inspecteur wees dit verzoek af omdat de oorspronkelijke beschikking van 28 september 2018, die liep tot 31 augustus 2019, onherroepelijk was en de looptijd was verstreken. Belanghebbende stelde dat de regeling verlengd kon worden op grond van de resterende looptijd en verwees naar een eerdere uitspraak van de rechtbank Noord-Holland.
De rechtbank oordeelde dat de looptijd van de bewijsregel niet verlengd kan worden buiten de oorspronkelijke beschikking en dat bezwaar tegen die beschikking niet was gemaakt. De rechtbank verwierp het beroep op de uitspraak van de rechtbank Noord-Holland omdat in deze zaak de beschikking reeds was verlopen. Subsidiair werd een beroep gedaan op het gelijkheidsbeginsel, maar dit faalde omdat belanghebbende onvoldoende aannemelijk maakte dat de inspecteur in vergelijkbare gevallen gunstiger besliste.
De rechtbank concludeerde dat het beroep ongegrond is, dat belanghebbende geen griffierecht terugkrijgt en geen proceskostenvergoeding ontvangt. De uitspraak is gedaan door rechter J.H. Bogert op 30 juni 2022.