ECLI:NL:RBZWB:2022:3672
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beoordeling aftrek verlies borgstelling bij aanmerkelijk belanghouder in vennootschappen
Belanghebbende, aanmerkelijkbelanghouder in twee vennootschappen die zijn ontbonden, stelde zich borg voor financieringen van deze vennootschappen bij een bank. De vennootschappen hadden geen omzet en negatief eigen vermogen. Belanghebbende betaalde een deel van de borgtochtschuld na aanspraak door de bank. De inspecteur legde een aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PVV) 2016 op en weigerde een verlies uit de borgstelling als resultaat uit overige werkzaamheden in aftrek te nemen.
De rechtbank oordeelde dat de borgstelling niet als zakelijk kan worden aangemerkt omdat geen vergoeding is betaald die een onafhankelijke derde zou vragen, er geen extra zekerheden waren en de vennootschappen geen reële verhaalsmogelijkheden boden. Het beroep op het vertrouwensbeginsel faalde omdat de situatie in 2015 anders was en geen vergelijkbare aftrek werd toegestaan.
De rechtbank concludeerde dat de aanslag niet te hoog is opgelegd en verklaarde het beroep ongegrond. De belastingrente blijft eveneens in stand. Belanghebbende kan tegen deze uitspraak hoger beroep instellen bij het gerechtshof te ’s-Hertogenbosch.
Uitkomst: De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en bevestigt dat geen verlies uit borgstelling kan worden afgetrokken.