ECLI:NL:RBZWB:2022:3676
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beoordeling WOZ-waarde bedrijfspand met geschil over marktconforme waardepeildatum
Belanghebbende maakte bezwaar tegen de WOZ-waarde van een bedrijfspand vastgesteld op €9.359.000 per 1 januari 2018. Zij stelde dat de waarde maximaal gelijk moest zijn aan de door haar betaalde aankoopprijs van €6.250.000 op 29 maart 2018.
De rechtbank overwoog dat normaal gesproken een verkoop kort voor of na de waardepeildatum als marktconform geldt, maar dat in dit geval de verkoopprijs niet representatief was vanwege de bijzondere omstandigheden, zoals de slechte financiële positie van de verkoper en het feit dat belanghebbende al erfpachter was.
De heffingsambtenaar onderbouwde de WOZ-waarde met een waardematrix gebaseerd op vergelijkbare objecten en een huurwaardekapitalisatiemethode. De rechtbank vond deze onderbouwing voldoende en oordeelde dat de WOZ-waarde niet te hoog was vastgesteld.
Het beroep van belanghebbende werd daarom ongegrond verklaard. De uitspraak benadrukt het belang van een zorgvuldige waardebepaling waarbij marktconforme verkoopprijzen niet altijd doorslaggevend zijn als er aanwijzingen zijn dat de transactie niet onder normale marktomstandigheden plaatsvond.
Uitkomst: Het beroep van belanghebbende tegen de WOZ-waarde is ongegrond verklaard en de waarde van €9.359.000 bevestigd.