Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
1.Inleiding
- voor de jaren 2016 en 2017 een voorlopige aanslag zuiveringsheffing bedrijfsruimten naar een te betalen bedrag aan zuiveringsheffing voor het jaar 2016 van € 2.056,86 en voor het jaar 2017 naar een te betalen bedrag van € 2.099,05 (aanslagnummer: [aanslagnummer]);
- voor het jaar 2018 een voorlopige aanslag zuiveringsheffing bedrijfsruimten naar een te betalen bedrag aan zuiveringsheffing van € 2.099,05 (aanslagnummer: [aanslagnummer]);
- voor het jaar 2020 een voorlopige aanslag zuiveringsheffing bedrijfsruimten naar een te betalen bedrag aan zuiveringsheffing van € 2.215,60 (aanslagnummer: [aanslagnummer]).
2.Overwegingen
3.Beslissing
- verklaart de beroepen gegrond;
- vernietigt de uitspraken op bezwaar;
- vermindert de voorlopige aanslag zuiveringsheffing voor de jaren 2016 en 2017 tot een bedrag aan verschuldigde zuiveringsheffing voor het jaar 2016 van € 924,65 en voor het jaar 2017 van € 932,47;
- vermindert de voorlopige aanslag zuiveringsheffing voor het jaar 2018 tot een bedrag aan verschuldigde zuiveringsheffing van € 946,45;
- vermindert de voorlopige aanslag zuiveringsheffing voor het jaar 2020 tot een bedrag aan verschuldigde zuiveringsheffing van € 864,54;
- bepaalt dat de heffingsambtenaar het griffierecht van € 354,- aan belanghebbende moet vergoeden.