4.3.2De bijzondere overwegingen met betrekking tot het bewijs
Drugsrunnersoverlast
De in deze zaak betrokken verbalisanten, wiens gewraakte handelen hierna zal worden besproken, waren op het betreffende moment belast met toezicht in het kader van drugsrunnersoverlast. Nadere beschrijving van (bestrijding van) dit fenomeen acht de politierechter van belang voor de beoordeling van het verweer. Uit de in het dossier gegeven toelichting op deze problematiek blijkt het volgende.
De autosnelweg A16 vormt een route die veelvuldig wordt gebruikt door personen die drugs komen kopen in Rotterdam en omgeving, woonachtig zijn in het buitenland en rijden in een voertuig met buitenlandse kentekenplaten. Op deze weg en daaraan gelegen verzorgingsplaatsen zijn tal van zogeheten drugsrunners actief, die bemiddelen bij de aankoop van harddrugs. Het bemiddelen bestaat voornamelijk uit het brengen van ter plaatse niet bekende drugsgebruikers naar drugspanden waar op dat moment in drugs wordt gehandeld. In feite zijn de drugsrunners de eerste schakel in de keten van de handel van harddrugs met buitenlandse drugstoeristen. Drugsrunners hebben vanwege hun bemiddelende rol zelf zelden tot nooit drugs bij zich.
Omdat deze werkwijze niet wordt uitgevoerd als politieagenten in opvallende dienstvoertuigen rijden zijn agenten, voor de aanpak van deze problematiek, genoodzaakt om gebruik te maken van onopvallende voertuigen met buitenlandse kentekenplaten.
De actie op 2 juli 2021
Om te beoordelen of in deze zaak sprake is van de bijzondere opsporingsbevoegdheid ‘pseudo-koop’ als bedoeld in artikel 126i Sv stelt de politierechter eerst het volgende vast over de door verbalisanten verrichte handelingen op de bewuste avond.
Op vrijdag 2 juli 2021 waren verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] belast met het toezicht in het kader van drugsrunnersoverlast op en rond de A16. Zij waren in burger gekleed en reden in een onopvallend motorvoertuig voorzien van buitenlandse (Franse) kentekenplaten. Zij noemen dit een “zogenoemde lokauto”. Rond 23:15 uur reden zij het terrein op van een tankstation bij Zevenbergschen Hoek. Daar zagen zij een Volkswagen Golf geparkeerd aan de voorzijde van het tankstation. Verbalisanten hebben hun voertuig geparkeerd in de parkeervakken naast het gebouw van het tankstation. [verbalisant 1] zag daarop dat de Volkswagen achteruit het parkeervak uit reed, naar de lokauto toe reed en naast de lokauto kwam staan. De bestuurder sprak [verbalisant 1] aan en vroeg hem onder meer “heb jullie wat nodig?” en “kom met ons mee naar Rotterdam”. Hierop is de bijrijder, naar later bleek verdachte, in actie gekomen en vroeg “heb jullie iets nodig in Rotterdam?”, waarop verdachte uitstapte en naast de lokauto is gaan staan. Nadat deze vraag dan wel dit aanbod een aantal keer is herhaald waarop [verbalisant 1] bleef vragen wat verdachte bedoelde, antwoordde verdachte: “ik heb drugs als jullie dat willen”. Hierop vroeg [verbalisant 1] wat voor soort drugs hij bedoelde, waarop verdachte antwoordde: “wit of bruin alles wat jullie nodig hebben, wij gaan naar Rotterdam bij mij thuis en daar heb ik wat jullie willen”. [verbalisant 1] vroeg hem hierop wat het kostte, waarop verdachte zei dat wit 36 euro kostte. Hierop vroeg [verbalisant 1] verdachte naar het adres in Rotterdam, waarna verdachte voorstelde: “rij achter ons naar Rotterdam het is hier niet veilig”. [verbalisant 1] en [verbalisant 2] vermelden dat, gelet op het gedrag en wat er was gezegd, het hen toen duidelijk was dat verdachten hen probeerden over te halen om met hen mee te gaan naar een drugsverkoper om drugs te kopen. Hierop hebben [verbalisant 1] en [verbalisant 2] het kenteken en hun bevindingen doorgegeven aan (eveneens onopvallende) collega-verbalisanten ter plaatse. Daarop is de Volkswagen gevolgd en zijn verdachte en de bestuurder bij een volgend tankstation ter hoogte van Hendrik Ido Ambacht door (andere) verbalisanten aangehouden.
Pseudokoop?
Artikel 126i, eerste lid Sv vermeldt dat in geval van verdenking van een misdrijf als omschreven in artikel 67, eerste lid, de officier van justitie in het belang van het onderzoek kan bevelen
dat een opsporingsambtenaar goederen afneemt van of diensten verleent aan de verdachte.
Op grond van wat hiervoor is vastgesteld over de actie op 2 juli 2021, stelt de politierechter vast dat er geen goederen zijn afgenomen van of diensten zijn verleend aan verdachte. In zoverre is geen sprake van pseudokoop. Voor zover de raadsman heeft bedoeld te stellen dat uit voornoemd arrest volgt dat het begrip pseudokoop ruimer is dan de daadwerkelijke koop, overweegt de politierechter het volgende.
De Hoge Raad heeft in voornoemd arrest op grond van de wetsgeschiedenis van artikel 126i Sv geoordeeld dat pseudokoop niet vereist dat het tot een concrete aflevering van goederen aan en afname daarvan door de opsporingsambtenaar behoeft te zijn gekomen. Ook de situatie waarin de opsporingsambtenaar voorwendt goederen te willen afnemen en tot afspraken komt met de verdachte strekkende tot aankoop en aflevering van goederen, zulks met de bedoelding in te grijpen op het moment dat de verdachte tot aflevering overgaat, valt onder het begrip pseudokoop. In zoverre treft de redenering van de raadsman inderdaad doel.
De aan het arrest ten grondslag liggende casus kent vele gelijkenissen met de onderhavige zaak. Echter, anders dan de raadsman is de politierechter van oordeel dat uit voornoemd arrest niet volgt dat de Hoge Raad slechts vanwege de aanwezigheid van een verklaring van de hoofdofficier van justitie heeft geoordeeld dat in die zaak tóch geen sprake was van pseudokoop. Immers overweegt de Hoge Raad dat terecht is vastgesteld dat de opsporing was gericht op strafbare voorbereidingshandelingen terzake de verstrekking van harddrugs in het kader van de bestrijding van drugsrunnersoverlast én dat er vanuit de politie geen bedoeling was om daadwerkelijk tot aankoop over te gaan. Hierin ligt volgens de Hoge Raad besloten dat geen afspraken zijn gemaakt die onder meer strekten tot aflevering van de goederen (het ‘ruimere begrip’). Uit het daaraan voorafgaande arrest van het Hof volgt evenmin dat voor de gedane vaststellingen doorslaggevende waarde is toegekend aan de aanwezigheid van een verklaring van de hoofdofficier van justitie.
Mede gelet op het arrest van de Hoge Raad, betreft de kern van de beoordeling dus de vraag of aannemelijk is dat vanuit de politie de bedoeling aanwezig was om tot aankoop over te gaan. Het procesdossier bevat drie processen-verbaal van bevindingen van bij de actie op 2 juli 2021 betrokken verbalisanten. Alle verbalen vermelden dat de actie werd gehouden in het kader van de bestrijding van drugsrunnersoverlast. Mede gelet op de hiervoor onder ‘drugsrunnersoverlast’ gegeven toelichting waren de activiteiten van de politieambtenaren dus louter gericht op de opsporing van overtreding door nog onbekende verdachten van het bepaalde in artikel 10a van de Opiumwet. Reeds hierom kan voormelde vraag met nee worden beantwoord. Bovendien bevat het dossier meerdere concrete aanwijzingen dat van daadwerkelijke aankoop van drugs dan wel het maken van afspraken daartoe nooit sprake zou zijn. Uit wat onder ‘drugsrunnersoverlast’ is vastgesteld volgt dat de aard, opzet en uitvoering van de actie niet rijmt met de gestelde (effectieve voorbereiding van) aankoop van drugs door agenten. Daaruit volgt ook dat het agenten bekend is dat drugsrunners zelden drugs bij zich hebben en dat zij voornamelijk bemiddelen en in de omgeving van Rotterdam drugspanden zoeken. In deze zaak hebben verbalisanten in Zevenbergschen Hoek met behulp van een lokauto hun actie uitgevoerd en was de opsporing van overtreding van artikel 10a Opiumwet in feite al geslaagd. De betreffende verbalisanten hebben dat ook zo verwoord in hun proces-verbaal. Ten behoeve van de aanhouding van verdachten zijn vervolgens andere verbalisanten ingeseind. De aanwezigheid van andere politieauto’s – met een ander doel te weten het volgen en aanhouden van verdachten – en het feit dat de Volkswagen is gevolgd en in Hendrik Ido Ambacht is aangehouden draagt ook bij aan de aannemelijkheid dat nooit tot aankoop of verdere afspraken daartoe zou worden overgegaan. Daar was in het geheel geen noodzaak toe.
Gelet op het voorgaande verwerpt de politierechter het verweer dat sprake was van (een verkapte vorm van) pseudokoop. Tot uitsluiting van het bewijs van de processen-verbaal van de betrokken verbalisanten bestaat geen aanleiding.
Is er gesproken over harddrugs?
De politierechter heeft geen reden te twijfelen aan de inhoud van de ambtsedige processen-verbaal van [verbalisant 1] en [verbalisant 2] , zoals eerder weergegeven. Daaruit volgt ook dat is gesproken over harddrugs. Gelet hierop stelt de politierechter vast dat verdachte samen en in vereniging met de bestuurder getracht heeft het verkopen van drugs voor te bereiden of te bevorderen.
De alternatieve verklaring van verdachte schuift de politierechter als ongeloofwaardig terzijde. Het verhaal van verdachte dat hij ‘op meidentour was’ en onderweg naar de coffeeshop, sluit niet aan bij zijn handelen ter plaatse. Immers stond de auto waarin hij zat stil bij een tankstation en zocht hij toenadering tot de twee mannelijke verbalisanten. Het gestelde taalprobleem volgt de politierechter evenmin. Uit het ambtsedig proces-verbaal blijkt niet dat [verbalisant 1] moeite had om verdachte te verstaan of te begrijpen of vice versa. Wel blijkt daaruit dat verdachte was uitgestapt en direct naast de lokauto stond, waardoor aannemelijk is dat zij van de gestelde rumoerige omgeving niet zo’n last hadden. Uit de hiervoor weergegeven conversatie tussen [verbalisant 1] en verdachte blijkt ook dat er – in logisch verband – best wat vragen en antwoorden zijn uitgewisseld, dus dat één misverstane opmerking een onterechte verdenking heeft opgeleverd is evenmin aannemelijk. De politierechter gaat dan ook voorbij aan de verklaring van verdachte en acht het feit wettig en overtuigend bewezen.