Belanghebbende maakte bezwaar tegen de vastgestelde WOZ-waarde van zijn woning op 1 januari 2019, welke was vastgesteld op €315.000,-. De heffingsambtenaar van de gemeente Oisterwijk handhaafde deze waarde en legde op basis daarvan de aanslag onroerendezaakbelasting voor 2020 op. Na een hoorzitting verklaarde de heffingsambtenaar het bezwaar ongegrond.
De rechtbank stelde vast dat partijen inmiddels overeenstemming hadden bereikt dat de WOZ-waarde te hoog was vastgesteld en dat deze verminderd moest worden tot €309.000,-. De rechtbank volgde dit eensluidende standpunt en verklaarde het beroep gegrond.
Daarnaast vorderde belanghebbende vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn voor de behandeling van bezwaar en beroep. De rechtbank constateerde dat de totale behandelingstermijn 29 maanden bedroeg, terwijl de redelijke termijn 24 maanden is. Hierdoor was sprake van een overschrijding van vijf maanden, waarvoor een vergoeding van €500,- werd toegekend. Omdat de heffingsambtenaar binnen zes maanden uitspraak deed, kwam de overschrijding volledig voor rekening van de Staat der Nederlanden.
De rechtbank veroordeelde de Staat tot vergoeding van deze immateriële schade en de heffingsambtenaar tot vergoeding van het griffierecht en de proceskosten conform het Besluit proceskosten bestuursrecht. De totale proceskostenvergoeding bedroeg €2.056,-.