Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 13 juli 2022 in de zaak tussen
[naam eiser] , te [plaatsnaam 1] , eiser,
Procesverloop
Overwegingen
Conclusie
Beslissing
- verklaart het beroep gegrond;
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Eiser diende een handhavingsverzoek in tegen een illegaal gebouwd bouwwerk op een nabijgelegen perceel. Het college verklaarde dit verzoek niet-ontvankelijk omdat eiser geen belanghebbende zou zijn. Eiser maakte bezwaar tegen dit besluit, maar het college verklaarde ook het bezwaar niet-ontvankelijk. De rechtbank oordeelt dat het primaire besluit wel een besluit in de zin van de Awb is waartegen bezwaar openstond en dat eiser als belanghebbende kan worden aangemerkt om tegen dit besluit op te komen.
De rechtbank stelt vast dat eiser geen rechtstreeks belang meer heeft bij het handhavingstraject omdat hij niet meer op het naastgelegen perceel woont en slechts een principieel bezwaar voert. Hierdoor is eiser geen belanghebbende in de zin van artikel 1:2 Awb Pro. Het college had het bezwaar daarom ongegrond moeten verklaren in plaats van niet-ontvankelijk.
De rechtbank vernietigt het bestreden besluit, verklaart het bezwaar alsnog ongegrond en draagt het college op het betaalde griffierecht aan eiser te vergoeden. Tevens wordt het college veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van €1.518. De uitspraak is gedaan door rechter T. Peters op 13 juli 2022.
Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard, het bestreden besluit wordt vernietigd en het bezwaar wordt alsnog ongegrond verklaard.