Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
1.Onderzoek van de zaak
2.De tenlastelegging
3.De voorvragen
4.De beoordeling van het bewijs
5.De beslissing
spreekt verdachte vrijvan het primair en subsidiair tenlastegelegde feit.
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Op 25 december 2021 vond in de woning van verdachte en haar echtgenoot een geweldsincident plaats waarbij verdachte met een kurkentrekker stekende bewegingen maakte en met een hakmes op haar echtgenoot af rende, maar struikelde en het mes werd haar ontnomen.
De officier van justitie beschouwde het steken met de kurkentrekker als poging tot zware mishandeling, terwijl de verdediging stelde dat dit geen zwaar letsel kon veroorzaken en dat er geen bewijs was voor een poging met het mes.
De rechtbank oordeelde dat niet kon worden vastgesteld dat verdachte haar echtgenoot met de kurkentrekker of het hakmes had geraakt, noch dat hij letsel had opgelopen. De gedragingen met het hakmes waren niet in de tenlastelegging opgenomen als poging zware mishandeling.
Daarom kon het primair tenlastegelegde niet wettig en overtuigend worden bewezen en sprak de rechtbank verdachte vrij van zowel poging zware mishandeling als mishandeling.
De uitspraak werd gedaan door de meervoudige kamer van de Rechtbank Zeeland-West-Brabant op 19 juli 2022.
Uitkomst: Verdachte wordt vrijgesproken van poging zware mishandeling en mishandeling wegens onvoldoende bewijs dat zij haar echtgenoot heeft geraakt.