Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
1.Inleiding
2.Feiten
3.Beoordeling door de rechtbank
4.Conclusie en gevolgen
5.Beslissing
2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Belanghebbende betwistte de teruggaafbeschikking van de inkomensafhankelijke bijdrage Zorgverzekeringswet (Zvw) over 2019, waarbij geen aftrek werd verleend voor een betaalde lijfrentepremie van € 25.189.
De rechtbank overwoog dat volgens artikel 43, tweede lid, Zvw premies voor lijfrente niet aftrekbaar zijn bij de vaststelling van het bijdrage-inkomen, anders dan bij de inkomstenbelasting. Belanghebbende voerde aan dat dit onredelijk is en leidt tot dubbele heffing en strijd met het gelijkheidsbeginsel, verwijzend naar een arrest van de Hoge Raad uit 2018.
De rechtbank verwees naar een arrest van de Hoge Raad uit februari 2022, waarin werd bevestigd dat het eerdere arrest slechts geldt voor omzetting van fiscale oudedagsreserve (FOR) in lijfrente. Voor reguliere lijfrentepremies geldt dat deze niet aftrekbaar zijn bij de Zvw. De rechtbank is niet bevoegd om op grond van redelijkheid en billijkheid hiervan af te wijken.
Het beroep werd daarom ongegrond verklaard, maar de inspecteur werd veroordeeld tot vergoeding van griffierecht en reiskosten van belanghebbende en diens echtgenote.
Uitkomst: Het beroep wordt ongegrond verklaard en de inspecteur heeft terecht geen aftrek van lijfrentepremie verleend bij het bijdrage-inkomen voor de Zvw 2019.