AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Verzet tegen onbevoegdverklaring beroep op Omgevingsvisie 2040 afgewezen
Opposant stelde beroep in tegen de wijze van voorbereiding van de Omgevingsvisie 2040 van de gemeente, vastgesteld op 18 november 2021. De rechtbank verklaarde zich eerder onbevoegd omdat de Omgevingsvisie geen besluit is in de zin van artikel 1:3 AwbPro, waardoor geen beroep mogelijk is.
Tegen die uitspraak werd verzet ingesteld. Tijdens de zitting op 17 juni 2022 verschenen de gemachtigde en vertegenwoordigers van opposant, maar niemand namens de gemeente. De rechtbank beoordeelde in het verzet uitsluitend of zij terecht onbevoegd was verklaard.
De rechtbank overwoog dat de Omgevingsvisie 2040 op het moment van vaststelling een structuurvisie was volgens de Wet ruimtelijke ordening, waarop geen beroep mogelijk is. Hoewel opposant stelde dat de Omgevingsvisie straks onder de Omgevingswet valt en beroep mogelijk moet zijn, achtte de rechtbank dit niet relevant voor de huidige beoordeling.
De rechtbank concludeerde dat haar eerdere oordeel buiten redelijke twijfel juist was en verklaarde het verzet ongegrond. De uitspraak blijft daarmee in stand en er is geen rechtsmiddel mogelijk.
Uitkomst: Het verzet tegen de onbevoegdverklaring van het beroep op de Omgevingsvisie 2040 wordt ongegrond verklaard.
Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Bestuursrecht
zaaknummer: BRE 21/5781 V
uitspraak van 22 juli 2022 van de enkelvoudige kamer op het verzet van
[naam opposant] , uit [plaatsnaam 1] , opposant
(gemachtigde: [naam gemachtigde] )
Procesverloop
Opposant heeft beroep ingesteld tegen de wijze van voorbereiding van de op 18 november 2021 door de gemeenteraad van de gemeente [plaatsnaam 2] vastgestelde Omgevingsvisie 2040.
Bij uitspraak van 10 februari 2022 heeft de rechtbank zich onbevoegd verklaard van dat beroep kennis te nemen.
Opposant heeft tegen deze uitspraak verzet ingesteld.
Het verzet is ter zitting behandeld in Breda op 17 juni 2022. Gemachtigde is verschenen, samen met [naam vertegenwoordiger 1] , en [naam vertegenwoordiger 2] . Er is niemand verschenen namens de gemeenteraad.
Overwegingen
1. De rechtbank heeft in de beroepszaak uitspraak gedaan zonder zitting. Artikel 8:54 vanPro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) biedt die mogelijkheid als het eindoordeel buiten redelijke twijfel staat.
2. De rechtbank heeft zich in beroepszaak onbevoegd verklaard. De rechtbank heeft daaraan ten grondslag gelegd dat de Omgevingsvisie 2040 geen besluit is in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Awb, zodat daartegen geen beroep kan worden ingesteld.
3. In deze verzetzaak dient uitsluitend te worden beoordeeld of de rechtbank in de uitspraak terecht heeft geoordeeld dat buiten redelijke twijfel is dat zij onbevoegd is. Aan de inhoud van de beroepsgronden kan de rechtbank in deze zaak alleen toekomen als het verzet gegrond is.
4. Opposant stelt dat de Omgevingsvisie 2040 van kracht wordt zodra de Omgevingswet in werking treedt. Gelet op artikel 16.26 van de Omgevingswet dient een omgevingsvisie te worden voorbereid met toepassing van afdeling 3.4 van de Awb. De totstandkoming van de Omgevingsvisie 2040 voldoet volgens opposant niet aan de eisen die in die afdeling aan de voorbereiding van besluiten worden gesteld. Omdat een rechterlijke instantie moet kunnen beoordelen of bij de totstandkoming van de Omgevingsvisie 2040 een juiste toepassing is gegeven aan afdeling 3.4 van de Awb, móet er volgens opposant beroep mogelijk zijn tegen de Omgevingsvisie 2040, ondanks dat de Omgevingsvisie 2040 geen besluit is in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Awb.
5. Bij besluit van 18 november 2021 heeft de gemeenteraad de Omgevingsvisie vastgesteld. Op dat moment gold de Wet ruimtelijke ordening (Wro). De Omgevingsvisie 2040 vormde (en vormt tot op heden) een structuurvisie in de zin van artikel 2.1 van de Wro. Dit volgt ook uit het vaststellingsbesluit. Daarin is vermeld: “ overwegende dat: de Omgevingswet naar alle waarschijnlijkheid per 1 juli 2022 in werking treedt en de Omgevingsvisie [plaatsnaam 2] tot die tijd een Structuurvisie is in de zin van artikel 2.1 van de Wet ruimtelijke ordening”.
Artikel 8:5, eerste lid, van de Awb bepaalt dat geen beroep kan worden ingesteld tegen een besluit als bedoeld in artikel 1 vanPro de bij deze wet behorende Bevoegdheidsregeling bestuursrechtspraak. In artikel 1 vanPro de Bevoegdheidsregeling bestuursrechtspraak is ook artikel 2.1 van de Wro vermeld. Dat betekent dat tegen een structuurvisie in de zin van artikel 2.1 van de Wro geen beroep kan worden ingesteld.
Gelet daarop heeft de rechtbank -weliswaar op andere gronden- terecht geoordeeld dat buiten redelijke twijfel is dat zij onbevoegd is. In wat opposant heeft aangevoerd ziet de rechtbank geen aanleiding om anders te oordelen dan in de uitspraak van 10 februari 2022.
Het verzet is ongegrond. Dit betekent dat de uitspraak in stand blijft.
6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank verklaart het verzet ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R.P. Broeders, rechter, in aanwezigheid van
mr. W.J.C. Goorden, griffier, op 22 juli 2022 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
griffier rechter
Afschrift verzonden aan partijen op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.