ECLI:NL:RBZWB:2022:4055
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beroep tegen niet-ontvankelijkverklaring bezwaar inkomstenbelasting 2018 afgewezen
Belanghebbende maakte bezwaar tegen de aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen 2018, maar dit bezwaar werd door de inspecteur niet-ontvankelijk verklaard wegens overschrijding van de bezwaartermijn. Daarnaast werd een ambtshalve vermindering van de aanslag geweigerd omdat belanghebbende niet de gevraagde nadere stukken had overgelegd.
Belanghebbende stelde dat hij niet in staat was zijn belastingen zelf te doen en hulp nodig had, maar dit werd door de rechtbank niet als verontschuldiging voor de te late indiening van het bezwaar geaccepteerd. De rechtbank oordeelde dat het bezwaar terecht niet-ontvankelijk is verklaard omdat het niet binnen de wettelijke termijn van zes weken na dagtekening van de aanslag was ontvangen.
Wat betreft de ambtshalve vermindering oordeelde de rechtbank dat eerst bezwaar gemaakt moet worden voordat de rechtbank hierover kan oordelen, tenzij partijen toestemming geven om de bezwaarfase over te slaan, wat hier niet het geval was. Daarom verklaarde de rechtbank het beroep tegen de ambtshalve beslissing niet-ontvankelijk.
Na de beroepsbehandeling heeft de inspecteur alsnog een verminderingsbeschikking aan belanghebbende verzonden. De rechtbank zag geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling en wees het beroep af.
Uitkomst: Het beroep tegen de niet-ontvankelijkverklaring van het bezwaar is ongegrond verklaard en het beroep tegen de ambtshalve beslissing niet-ontvankelijk.