Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
1.Inleiding
2.Feiten
3.Beoordeling door de rechtbank
.Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Belanghebbende, woonachtig in Nederland, werkte in 2015 voor een Nederlandse werkgever op een offshore installatieschip dat onder Nederlandse vlag vaart en windparken bouwt op het continentaal plat van Nederland. Voor het belastingjaar 2015 werd aan belanghebbende een aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen opgelegd, inclusief een verzuimboete en belastingrente.
Belanghebbende stelde dat op grond van artikel 15, derde lid, van het belastingverdrag met Litouwen het heffingsrecht van Nederland beperkt is omdat hij een dienstbetrekking zou hebben uitgeoefend aan boord van een schip in internationaal verkeer. Hij verzocht daarom om aftrek ter voorkoming van dubbele belasting en betwistte de aanslag.
De inspecteur kwam slechts gedeeltelijk aan dit verzoek tegemoet en handhaafde de aanslag, verzuimboete en belastingrente. De rechtbank oordeelde dat belanghebbende onvoldoende concrete feiten en bewijs heeft geleverd om aannemelijk te maken dat hij een dienstbetrekking aan boord van een schip in internationaal verkeer had zoals bedoeld in het verdrag. Ook de opgelegde verzuimboete en belastingrente werden niet onterecht geacht.
Daarom verklaarde de rechtbank het beroep ongegrond, handhaafde de aanslag, verzuimboete en belastingrente, en wees het verzoek tot terugbetaling van griffierecht en proceskosten af.
Uitkomst: Het beroep tegen de aanslag inkomstenbelasting 2015, verzuimboete en belastingrente is ongegrond verklaard en de aanslag blijft ongewijzigd.