ECLI:NL:RBZWB:2022:4418
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beroep tegen niet tijdig beslissen op aanvraag herbeoordeling kinderopvangtoeslag
Eiseres heeft op 6 april 2021 een aanvraag ingediend voor herbeoordeling van haar situatie met betrekking tot de kinderopvangtoeslag. Verweerder, de Belastingdienst/Toeslagen, had volgens de wettelijke termijnen uiterlijk op 6 oktober 2021 moeten beslissen, met een mogelijke verlenging van zes maanden. Verweerder heeft de beslistermijn op 1 oktober 2021 verlengd, waardoor de uiterste beslisdatum op 6 april 2022 lag.
Eiseres stelde verweerder op 6 april 2022 in gebreke omdat er nog geen besluit was genomen. Na ontvangst van deze ingebrekestelling op 7 april 2022 verstreken twee weken zonder dat verweerder een besluit nam. De rechtbank oordeelt dat het beroep gegrond is en dat verweerder alsnog binnen een redelijke termijn een besluit moet nemen.
Verweerder verzocht om een langere beslistermijn van dertien weken vanwege de grote hoeveelheid verzoeken en de noodzaak voor zorgvuldige behandeling. De rechtbank acht een termijn van tien weken na verzending van de uitspraak redelijk. Tevens legt de rechtbank een dwangsom van €100 per dag op voor elke dag dat verweerder de termijn overschrijdt, met een maximum van €15.000. Verweerder moet bovendien het door eiseres betaalde griffierecht vergoeden.
Uitkomst: De rechtbank verklaart het beroep gegrond en draagt de Belastingdienst op binnen tien weken alsnog te beslissen, met oplegging van een dwangsom.