ECLI:NL:RBZWB:2022:4639

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
27 juni 2022
Publicatiedatum
11 augustus 2022
Zaaknummer
C/02/398488 JERK 22-1016
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:265b BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Machtiging uithuisplaatsing baby wegens verdenking overlijden halfzus en detentie ouders

De rechtbank Zeeland-West-Brabant heeft op 27 juni 2022 een machtiging verleend voor de uithuisplaatsing van een in juni 2022 geboren baby, wiens ouders beiden gedetineerd zijn en verdacht worden van betrokkenheid bij het overlijden van de halfzus van de baby.

Eerder was een spoedmachtiging verleend tot 30 juni 2022. De rechtbank besliste nu over de periode van 30 juni tot 24 augustus 2022, gedurende welke de baby in een pleeggezin blijft verblijven. De ouders stemden in met de uithuisplaatsing en wensen uiteindelijk plaatsing in een netwerkpleeggezin, bijvoorbeeld bij grootouders moederszijde.

De kinderrechter oordeelde dat de zorgen die aan de spoedmachtiging ten grondslag lagen nog steeds actueel zijn, mede vanwege het lopende politieonderzoek en de voorlopige hechtenis van de ouders. De uithuisplaatsing is noodzakelijk in het belang van de verzorging en opvoeding van de baby. De beschikking is uitvoerbaar bij voorraad verklaard, zodat deze direct gevolgd moet worden, ook bij hoger beroep.

Uitkomst: De rechtbank verlengt de machtiging tot uithuisplaatsing van de baby tot 24 augustus 2022 en verklaart de beschikking uitvoerbaar bij voorraad.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Familie- en Jeugdrecht
Locatie Breda
Zaaknummer: C/02/398488 JE RK 22-1016
Datum uitspraak: 27 juni 2022

nadere beschikking machtiging spoeduithuisplaatsing

in de zaak van

STICHTING JEUGDBESCHERMING BRABANT,

locatie Roosendaal, hierna te noemen: de gecertificeerde instelling (GI),
betreffende

[naam 1], geboren op [geboortedatum] 2022,

hierna te noemen: [voornaam 1].
De kinderrechter merkt als belanghebbende aan:

[voornaam 1],

hierna te noemen: de moeder,
thans gedetineerd.
De kinderrechter merkt als informant aan:

[naam 2],

hierna te noemen: de vader,
thans gedetineerd.

Het procesverloop

Het procesverloop blijkt uit de volgende stukken:
- de in deze zaak gegeven beschikking van 15 juni 2022 en alle daarin genoemde stukken.
Op 27 juni 2022 heeft de kinderrechter de zaak met gesloten deuren mondeling behandeld.
Gehoord zijn:
- de moeder (via een videoverbinding),
- de vader,
- een vertegenwoordigster van de Raad,
- een vertegenwoordigster van de GI.

De feiten

De moeder is belast met het ouderlijk gezag over [voornaam 1].
Bij beschikking van 15 juni 2022 is een spoedmachtiging verleend tot uithuisplaatsing van het destijds nog ongeboren kind in een voorziening voor pleegzorg, met ingang van zijn geboorte, voor de periode tot 30 juni 2022. Daarnaast is de beslissing voor het overige aangehouden. Aldus resteert een beslissing over de periode van 30 juni 2022, tot het einde van de voorlopige ondertoezichtstelling, tot 24 augustus 2022.
Het kind is inmiddels op [geboortedatum] 2022 geboren en genaamd [naam 1]. Op grond van voornoemde beschikking verblijft [voornaam 1] in een pleeggezin.

De standpunten

Namens de GI is tijdens de mondelinge behandeling, voor zover van belang en kort samengevat, naar voren gebracht dat het resterend verzoek wordt gehandhaafd. Het gaat goed met [voornaam 1] binnen het pleeggezin. Er is een bezoekregeling met beide ouders opgezet. De moeder zal de middag na deze mondelinge behandeling omgang hebben met [voornaam 1]. De omgang met de vader is wat lastig gezien de beperkte mogelijkheden daarvoor in de penitentiaire inrichting. Verder vindt een netwerkscreening plaats bij opa en oma, moederszijde, van [voornaam 1]. De verwachting is dat indien die screening positief wordt afgerond [voornaam 1] bij hen zal worden geplaatst.
De vader en de moeder hebben tijdens de mondelinge behandeling verklaard dat zij het eens zijn met het verzoek. Beiden willen uiteindelijk een plaatsing van [voornaam 1] in een netwerkpleeggezin.
De Raad ondersteunt het verzoek van de GI.

De beoordeling

Ingevolge artikel 1:265b, lid 1, van het Burgerlijk Wetboek kan de kinderrechter de GI, die belast is met de uitvoering van de ondertoezichtstelling, op haar verzoek machtigen de minderjarige gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen indien dit noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding van de minderjarige of tot onderzoek van diens geestelijke of lichamelijke gesteldheid.
Uit de overgelegde stukken en de mondelinge behandeling blijkt dat de zorgen die ten grondslag lagen aan de op 15 juni 2022 gegeven spoedmachtiging nog altijd actueel zijn. De vader en de moeder worden verdacht van doodslag, subsidiair van zware (kinder)mishandeling met de dood tot gevolg van [voornaam 2], halfzus van [voornaam 1]. Beide ouders verblijven momenteel vanwege die verdenking in voorlopige hechtenis en het politieonderzoek is nog in volle gang. Zolang er nog geen duidelijkheid is over de doodsoorzaak van [voornaam 2] zijn er grote zorgen over de veiligheid van [voornaam 1] bij verblijf bij (een van) de ouders. Het voortduren van de uithuisplaatsing van [voornaam 1] is dan ook noodzakelijk in het belang van zijn verzorging en opvoeding. Het resterende deel van het verzoek dient dan ook te worden toegewezen. De kinderrechter gaat hierbij ervan uit dat [voornaam 1] op termijn wordt geplaatst in een netwerkpleeggezin (bijvoorbeeld opa en oma, moederszijde), zodra zo’n gezin beschikbaar is en positief wordt gescreend.
De kinderrechter zal, gelet op de aard van de maatregel, de beslissing uitvoerbaar bij voorraad verklaren, zoals is verzocht door de GI. Dat betekent dat de beslissing alvast moet worden gevolgd, ook als er daartegen hoger beroep wordt ingesteld.

De beslissing

De kinderrechter:
verleent een machtiging tot uithuisplaatsing in een voorziening voor pleegzorg met ingang van 30 juni 2022 tot 24 augustus 2022;
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beslissing is mondeling gegeven en in het openbaar uitgesproken op 27 juni 2022 door mr. W. Toekoen, kinderrechter, in tegenwoordigheid van S. Can, als griffier.
De schriftelijke uitwerking van deze beschikking is vastgesteld op 5 juli 2022.
Hoger beroep tegen deze beschikking kan worden ingesteld:
- door de verzoekers en de belanghebbende(n) aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
- door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.
Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend bij de griffie van het gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch.