Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
1.Onderzoek van de zaak
2.De tenlastelegging
3.De voorvragen
4.De beoordeling van het bewijs
5.De benadeelde partij
6.De beslissing
spreekt verdachte vrijvan het tenlastegelegde feit;
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Op 28 november 2020 vond in Tilburg een confrontatie plaats tussen verdachte en het slachtoffer waarbij het slachtoffer een wond opliep bij zijn linker wenkbrauw. Verdachte werd beschuldigd van poging zware mishandeling door het slaan met een hamer en het inrijden met een auto.
De rechtbank oordeelde dat verdachte weliswaar een hamer pakte en een klap tegen de borst van het slachtoffer gaf, maar dat dit niet voldoende was om te spreken van een poging tot zwaar lichamelijk letsel. Er was geen bewijs van borstletsel en de kracht en zijde van de hamer waren onduidelijk. Ook de verklaringen over het aantal slagen en de locatie daarvan waren tegenstrijdig.
Wat betreft het inrijden met de auto kon de rechtbank niet met zekerheid vaststellen dat verdachte met aanzienlijke snelheid reed of dat hij de aanmerkelijke kans op zwaar letsel heeft aanvaard. Verschillende getuigen gaven uiteenlopende verklaringen over de snelheid. Hierdoor werd ook dit onderdeel van de tenlastelegging verworpen.
De rechtbank sprak verdachte vrij van poging zware mishandeling. De vordering tot schadevergoeding van het slachtoffer werd niet-ontvankelijk verklaard omdat het feit niet bewezen werd geacht. De benadeelde partij kan haar vordering bij de burgerlijke rechter voortzetten.
Uitkomst: Verdachte wordt vrijgesproken van poging zware mishandeling wegens onvoldoende bewijs.