ECLI:NL:RBZWB:2022:471

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
28 januari 2022
Publicatiedatum
1 februari 2022
Zaaknummer
AWB- 18_6968
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 AwbArt. 8:75a AwbArt. 8:41 AwbBesluit proceskosten bestuursrechtBesluit tarieven in strafzaken 2003
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling Sociale Verzekeringsbank in proceskosten na intrekking beroep wegens motiveringsgebrek

Verzoekster stelde beroep in tegen het besluit van de Sociale Verzekeringsbank (Svb) tot beëindiging van haar Algemene nabestaandenwet (Anw)-uitkering. Tijdens de procedure werd het onderzoek heropend voor een deskundigenrapport. De rechtbank oordeelde dat het bestreden besluit een motiveringsgebrek vertoonde en gaf de Svb gelegenheid dit te herstellen.

De Svb nam vervolgens een herziene beslissing waarin het bezwaar van verzoekster werd gegrond verklaard en de Anw-uitkering werd voortgezet. Hierop trok verzoekster haar beroep in en verzocht de rechtbank de Svb te veroordelen in de proceskosten.

De rechtbank oordeelde dat de Svb aan verzoekster was tegemoetgekomen en veroordeelde de Svb tot vergoeding van de proceskosten, waaronder griffierecht, kosten van rechtsbijstand, rapporten van de medisch adviseur en reiskosten van zowel de deskundige als verzoekster.

De uitspraak werd gedaan door rechter C.E.M. Marsé op 28 januari 2022 en is openbaar gemaakt via rechtspraak.nl.

Uitkomst: De rechtbank veroordeelt de Sociale Verzekeringsbank tot vergoeding van €3.703,15 aan proceskosten aan verzoekster.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Bestuursrecht
zaaknummer: BRE 18/6968 ANW
uitspraak van 28 januari 2022 van de enkelvoudige kamer op het verzoek om veroordeling in de proceskosten in de zaak tussen

[naam verzoekster] , te [plaatsnaam] , verzoekster,

gemachtigde: mr. K.C.A.M. Oomen,
en

de Raad van bestuur van de Sociale Verzekeringsbank (Svb), verweerder.

Procesverloop

Verzoekster heeft beroep ingesteld tegen het besluit van 4 september 2018 (bestreden besluit) van de Svb over de beëindiging van haar uitkering op grond van de Algemene nabestaandenwet (Anw).
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden in Breda op 31 oktober 2019. Eiseres is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde en medisch adviseur [naam medisch adviseur eiseres] . De Svb heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. A. Marijnissen. Ter zitting is het onderzoek gesloten.
Op 14 november 2019 heeft de rechtbank het onderzoek heropend om een deskundige te raadplegen.
Op 18 augustus 2020 heeft psychiater [naam psychiater] een rapport uitgebracht.
Op 30 april 2021 heeft de rechtbank het onderzoek gesloten.
Op 1 juni 2021 heeft de rechtbank tussenuitspraak gedaan. De rechtbank komt tot het oordeel dat het bestreden besluit aan een motiveringsgebrek lijdt. De Svb wordt in de gelegenheid gesteld om dat gebrek te herstellen.
De Svb heeft van die mogelijkheid gebruik gemaakt en op 15 juli 2021 een herziene beslissing op bezwaar genomen. De Svb heeft verzoeksters bezwaar gegrond verklaard en haar Anw-uitkering voortgezet.
Vervolgens heeft verzoekster het beroep ingetrokken, met het verzoek de Svb te veroordelen in de proceskosten. De Svb heeft bij brief van 22 november 2021 gebruik gemaakt van de gelegenheid hierop te reageren.
De rechtbank heeft, met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), een behandeling van het verzoek ter zitting achterwege gelaten.

Overwegingen

1. Op grond van artikel 8:75a, eerste lid, van de Awb kan de rechtbank, indien het beroep wordt ingetrokken omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het beroepschrift is tegemoetgekomen, het bestuursorgaan veroordelen in de proceskosten.
2. Naar het oordeel van de rechtbank blijkt uit het besluit van 15 juli 2021 dat de Svb aan verzoekster is tegemoetgekomen. Hierin ziet de rechtbank aanleiding de Svb te veroordelen in de door verzoekster gemaakte proceskosten.
Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb) voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.897,50 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen op de zitting, 0,5 punt voor het indienen van een schriftelijke zienswijze na verslag deskundigenonderzoek, met een waarde per punt van € 759,- en een wegingsfactor 1).
Daarnaast komen de kosten van de rapporten van medisch adviseur [naam medisch adviseur eiseres] van 3 en 21 mei, 26 juli 2019 en 9 februari 2021 in aanmerking voor vergoeding. Gelet op artikel 2, eerste lid, onder b, van het Bpb en het Besluit tarieven in strafzaken 2003 komt verzoekster voor die rapporten en de reis- en verblijftijd van de deskundige in verband met de zitting een forfaitaire vergoeding toe. Rekening houdend met een uurtarief in 2019 van € 126,47 en het aantal bestede uren van 11,5 uur bedraagt de vergoeding € 1.454,41, zijnde € 1.759,83 inclusief 21% BTW. Voorts veroordeelt de rechtbank de Svb in de reiskosten van de deskundige. Deze kosten stelt de rechtbank op basis van de kosten van het openbaar vervoer vast op € 27,56.
Tot slot wordt de Svb veroordeeld in de reiskosten van verzoekster. Deze kosten stelt de rechtbank op basis van de kosten van het openbaar vervoer vast op € 18,26.
3. De rechtbank overweegt ten overvloede dat de Svb op grond van artikel 8:41, zevende lid, van de Awb het griffierecht van € 46,- aan verzoekster dient te vergoeden, zodat een veroordeling daartoe niet nodig is.

Beslissing

De rechtbank veroordeelt de Svb in de proceskosten van verzoekster tot een bedrag van € 3.703,15.
Deze uitspraak is gedaan door mr. C.E.M. Marsé, rechter, in aanwezigheid van
mr. H.D. Sebel griffier, op 28 januari 2022 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De griffier is niet in de gelegenheid
deze uitspraak mede te ondertekenen.
griffier rechter
Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan verzet worden gedaan bij de rechtbank.