Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
1.Onderzoek van de zaak
2.De tenlastelegging
3.De voorvragen
4.De beoordeling van het bewijs
5.De overwegingen omtrent het beslag
6.De beslissing
spreekt verdachte vrijvan het tenlastegelegde feit;
Vrijdag webinar: live demo van Lexboost
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Op 22 mei 2019 werd in een loods een grote hoeveelheid verdovende middelen aangetroffen, waaronder ruim 400 kg MDMA, bijna 15 kg amfetamine en een halve kg cocaïne. Verdachte werd ervan verdacht deze drugs te hebben geproduceerd of opzettelijk aanwezig te hebben gehad. De officier van justitie baseerde zich op verklaringen, WhatsApp-berichten, DNA-sporen op handschoenen en sigarettenpeuken, en NFI-onderzoek.
De verdediging betoogde dat er geen direct bewijs was dat verdachte de drugs beheerste of wetenschap had van de aanwezigheid ervan. Verdachte had mogelijk alleen een sleutel van de loods, niet van de ruimte waar de drugs lagen, en de DNA-sporen waren niet overtuigend delictgerelateerd.
De rechtbank oordeelde dat hoewel er sterke aanwijzingen waren voor betrokkenheid, deze onvoldoende waren om bewezenverklaring te rechtvaardigen. De sleutel van de ruimte kon niet met zekerheid aan verdachte worden toegeschreven, en de DNA-sporen op de handschoenen en peuken konden niet direct worden verbonden aan het tenlastegelegde feit. Medeplegen werd uitgesloten vanwege gebrek aan bewijs van materiële of intellectuele bijdrage. Daarom sprak de rechtbank verdachte vrij.
Daarnaast werd de bewaring van inbeslaggenomen sleutels gelast ten behoeve van de rechthebbende, en het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis werd opgeheven.
Uitkomst: Verdachte wordt vrijgesproken wegens onvoldoende bewijs van betrokkenheid bij productie en bezit van drugs.