ECLI:NL:RBZWB:2022:4856

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
19 augustus 2022
Publicatiedatum
22 augustus 2022
Zaaknummer
AWB- 22_589
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:41 AwbArt. 8:54 AwbArt. 8:75 AwbArt. 8:75a AwbBesluit proceskosten bestuursrecht
Verwijzingen
6 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toekenning proceskostenvergoeding na intrekking beroep wegens tegemoetkoming bestuursorgaan

Verzoekster diende een aanvraag om compensatie van de transitievergoeding in bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, welke op 22 juli 2021 werd afgewezen. Na bezwaar verklaarde het bestuursorgaan het bezwaar ongegrond op 16 december 2021. Verzoekster stelde beroep in tegen dit besluit. Vervolgens herzag het bestuursorgaan het bestreden besluit op 21 april 2022 en kende alsnog de compensatie toe, waarna verzoekster het beroep introk met het verzoek om proceskostenvergoeding.

De rechtbank heeft het verzoek tot proceskostenvergoeding beoordeeld op grond van artikel 8:75a van de Algemene wet bestuursrecht, waarbij is vastgesteld dat het bestuursorgaan geheel tegemoet is gekomen aan het beroep. De rechtbank heeft het verzoek als kennelijk gegrond toegewezen en het bestuursorgaan veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten voor de beroepsfase.

De proceskostenvergoeding is vastgesteld op €759,-, gebaseerd op één punt voor het indienen van het beroepschrift met een waarde van €759,- en een wegingsfactor van 1. Daarnaast wijst de rechtbank erop dat het griffierecht van €365,- door het bestuursorgaan vergoed moet worden, waarvoor verzoekster zich rechtstreeks tot het bestuursorgaan dient te wenden.

Uitkomst: Het bestuursorgaan is veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van verzoekster ten bedrage van €759,-.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Bestuursrecht
zaaknummer: BRE 22/589

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 19 augustus 2022 in de zaak tussen

[naam verzoekster] , uit [vestigingsplaats] , verzoekster

(gemachtigde: mr. M.P. Poelman),
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, verweerder.

Procesverloop

In het besluit van 22 juli 2021 (primair besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiseres om compensatie van de transitievergoeding afgewezen.
In het besluit van 16 december 2021 (bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van verzoekster ongegrond verklaard.
Verzoekster heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
In het besluit van 21 april 2022 heeft verweerder het bestreden besluit herzien en in plaats daarvan besloten om de aanvraag van eiseres om compensatie van de transitievergoeding toe te kennen.
Naar aanleiding hiervan heeft verzoekster het beroep ingetrokken met daarbij het verzoek verweerder te veroordelen tot vergoeding van de proceskosten.
De rechtbank heeft verweerder in de gelegenheid gesteld te reageren op dat verzoek.
Verweerder heeft de rechtbank meegedeeld zich te kunnen vinden in een vergoeding van de proceskosten in overeenstemming met het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb).

Overwegingen

De rechtbank doet op grond van artikel 8:54 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) zonder zitting uitspraak op het verzoek om proceskostenveroordeling.
De veroordeling van een partij in de proceskosten is geregeld in de artikelen 8:75 en 8:75a van de Awb en nader uitgewerkt in het Bpb. Als een beroep wordt ingetrokken, omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het beroepschrift is tegemoet gekomen, kan de rechtbank op verzoek van de indiener dat bestuursorgaan bij afzonderlijke uitspraak veroordelen in de proceskosten. Dit is geregeld in artikel 8:75a van de Awb.
Gelet op de gedingstukken en het hiervoor weergegeven procesverloop is verweerder tegemoet gekomen aan het beroep van verzoekster.
Bij het nieuwe besluit heeft verweerder al een proceskostenveroordeling voor de bezwaarfase toegekend. De beoordeling hierna over de gevraagde proceskostenveroordeling beperkt zich daarom tot de beroepsfase.
Het verzoek wordt als kennelijk gegrond toegewezen. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door verzoekster gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Bpb voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 759,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift met een waarde per punt van € 759,- met een wegingsfactor 1).
De rechtbank wijst erop dat verweerder op grond van artikel 8:41, zevende lid, van de Awb verplicht is het door verzoekster betaalde griffierecht van € 365,- te vergoeden. Verzoekster zal zich hiervoor dan ook tot verweerder moeten wenden.

Beslissing

De rechtbank veroordeelt verweerder in de proceskosten van verzoekster tot een bedrag van € 759,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. L.P. Hertsig, rechter, in aanwezigheid van D. Alblas, griffier, op 19 augustus 2022 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Bent u het niet eens met deze uitspraak?

Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de rechtbank waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een verzetschrift. U moet dit verzetschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven. Als u graag een zitting wilt waarin u uw verzetschrift kunt toelichten, kunt u dit in uw verzetschrift vermelden.