Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
1.Het verzoek
2.De beoordeling
zijn hoedanigheid van wettelijke vertegenwoordiger van
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Op 4 mei 2021 is de overledene in België overleden, waarbij de nalatenschap in België is opengevallen. De minderjarige erfgenaam heeft haar gewone verblijfplaats in Nederland. Verzoeker, als wettelijke vertegenwoordiger en zoon van de overledene, verzoekt om machtiging om namens de minderjarige de nalatenschap te verwerpen vanwege schulden en minimale contact.
De kantonrechter oordeelt bevoegd te zijn op grond van Brussel II-bis-verordening, aangezien de minderjarige in Nederland woont en het verzoek verband houdt met ouderlijke verantwoordelijkheid en vermogensbeheer. Tevens wordt het verzoek beoordeeld naar Nederlands recht conform het Haags Kinderbeschermingsverdrag 1996.
Omdat de wettelijke vertegenwoordiger namens de minderjarige niet zuiver kan aanvaarden, is machtiging vereist voor verwerping. De machtiging wordt voorwaardelijk verleend, aangezien de minderjarige nog geen erfgenaam is. Verzoeker dient de verwerping in het boedelregister van de rechtbank te laten inschrijven en de Belgische autoriteiten binnen de wettelijke termijn te informeren.
Tegen deze beschikking kan binnen drie maanden hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof te 's-Hertogenbosch, via een advocaat.
Uitkomst: De kantonrechter verleent voorwaardelijke machtiging om namens de minderjarige de nalatenschap te verwerpen.