Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
1.Inleiding
2.Feiten
3.Beoordeling door de rechtbank
2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Belanghebbende maakte in zijn aangifte inkomstenbelasting 2016 aanspraak op persoonsgebonden aftrek voor scholingsuitgaven ter hoogte van €5.375, bestaande uit kosten van een taalcursus Italiaans en een studiereis naar Florence, gevolgd door zijn ex-echtgenote die een onderneming had gericht op de creatieve sector. De inspecteur wees deze aftrek af, stellende dat de uitgaven niet voldeden aan de wettelijke definitie van scholingsuitgaven en niet gericht waren op het verwerven van inkomen uit werk en woning.
De rechtbank oordeelde dat de studiereis niet onder de limitatief genoemde scholingsuitgaven in artikel 6.27 Wet IB 2001 valt en dat de taalcursus onvoldoende verband hield met een concreet leertraject gericht op inkomensverwerving. Bovendien was niet aannemelijk gemaakt dat de taalcursus specifiek diende ter verbetering van de onderneming van de ex-echtgenote.
Belanghebbende stelde tevens dat de inspecteur onzorgvuldig had gehandeld door vertraagde en onvoldoende reactie in de bezwaarprocedure, maar de rechtbank vond geen schending van het zorgvuldigheidsbeginsel. Ook het beroep op het gelijkheidsbeginsel faalde omdat geen sprake was van feitelijk en rechtens gelijke gevallen met andere deelnemers die de kosten als zakelijke kosten hadden afgetrokken.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en wees vergoeding van griffierecht en proceskosten af.
Uitkomst: Het beroep van belanghebbende tegen de afwijzing van aftrek van scholingsuitgaven is ongegrond verklaard.