Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
de minister van Justitie en Veiligheid, de minister.
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Belanghebbende is huurder van een appartement uit 2014 met een inhoud van 242 m3, gelegen aan de westzijde van een appartementencomplex met uitzicht op een groenstrook en een park. De heffingsambtenaar stelde de WOZ-waarde per 1 januari 2019 vast op €223.000, waartegen belanghebbende bezwaar maakte en vervolgens beroep instelde.
De rechtbank weigerde een door de heffingsambtenaar ter zitting ingebrachte nieuwe waardeberekening vanwege te late indiening. De kern van het geschil betrof de invloed van de ligging ten opzichte van het park en de waardering van de berging. De heffingsambtenaar gebruikte drie vergelijkingsobjecten, terwijl belanghebbende een vierde object aanvoerde dat volgens hem beter vergelijkbaar was. De rechtbank oordeelde dat de heffingsambtenaar onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat de waarde niet te hoog was, mede omdat het argument om het vierde object buiten beschouwing te laten onvoldoende was onderbouwd.
Belanghebbende slaagde er niet in aannemelijk te maken dat de waarde maximaal €182.000 zou moeten zijn, omdat zijn onderbouwing van een minder gunstige ligging onvoldoende was. De rechtbank stelde daarom in goede justitie de waarde vast op €210.000. Daarnaast kende de rechtbank een vergoeding van immateriële schade toe wegens een overschrijding van de redelijke termijn van zes maanden, met een totaalbedrag van €500, waarvan een deel door de heffingsambtenaar en een deel door de minister moest worden betaald.
De uitspraak op bezwaar werd vernietigd, de waarde verlaagd, en de heffingsambtenaar werd veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en griffierecht. Belanghebbende kreeg tevens een vergoeding voor de kosten van een taxatierapport. De uitspraak werd gedaan door rechter M.M. Dondorp-Loopstra op 26 augustus 2022.
Uitkomst: WOZ-waarde appartement vastgesteld op €210.000 en vergoeding immateriële schade toegekend wegens termijnoverschrijding.