ECLI:NL:RBZWB:2022:507

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
2 februari 2022
Publicatiedatum
2 februari 2022
Zaaknummer
AWB - 21 _ 621
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Vereenvoudigde behandeling
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 AwbArt. 8:55 AwbWet waardering onroerende zaken
Verwijzingen
4 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep ongegrond verklaard tegen WOZ-waarde vaststelling 2020 ondanks coronapandemie

De heffingsambtenaar van de gemeente Middelburg stelde de WOZ-waarde van een onroerende zaak voor het kalenderjaar 2020 vast op €4.415.000,-. Belanghebbende maakte bezwaar tegen deze beschikking, maar dit bezwaar werd ongegrond verklaard. Belanghebbende stelde beroep in bij de rechtbank.

De rechtbank constateerde dat tussen partijen een vaststellingsovereenkomst was gesloten waarin de WOZ-waarde voor de jaren 2018 tot en met 2020 was overeengekomen. Deze waarde was lager dan de waarde in de vaststellingsovereenkomst, en de waardepeildatum lag op 1 januari 2019, vóór de coronapandemie. Belanghebbende voerde aan dat de waarde te hoog was vastgesteld zonder rekening te houden met de gevolgen van de pandemie, maar dit werd niet gevolgd omdat de waardepeildatum vóór de pandemie lag.

De rechtbank oordeelde dat belanghebbende geen concreet procesbelang meer had en dat het beroep kennelijk ongegrond moest worden verklaard. Tevens wees de rechtbank het verzoek om immateriële schadevergoeding af omdat de redelijke termijn van twee jaar voor de behandeling van bezwaar en beroep niet was overschreden. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: Het beroep tegen de WOZ-waarde 2020 wordt ongegrond verklaard en het verzoek om immateriële schadevergoeding wordt afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Belastingrecht
zaaknummer: BRE 21/621 WOZ

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 2 februari 2022 in de zaak tussen

[belanghebbende] , te [vestigingsplaats] , belanghebbende

gemachtigde: mr. D.A.N. Bartels,
en

de heffingsambtenaar van de gemeente Middelburg, verweerder.

Procesverloop

De heffingsambtenaar heeft in de beschikking op grond van de Wet waardering onroerende zaken (hierna: Wet WOZ) van 5 februari 2020 de waarde van de onroerende zaak [adres] te [plaats] voor het kalenderjaar 2020 vastgesteld op € 4.415.000,-. In hetzelfde document heeft de heffingsambtenaar ook de aanslagen onroerendezaakbelastingen gebruiker niet-woning (OZB) en rioolheffing bekendgemaakt.
Belanghebbende heeft hiertegen bezwaar gemaakt. In de uitspraak op bezwaar van 22 december 2020 heeft de heffingsambtenaar het bezwaar ongegrond verklaard.
Belanghebbende heeft hiertegen beroep ingesteld.
De heffingsambtenaar heeft een verweerschrift ingediend.
Belanghebbende heeft op verzoek van de rechtbank een nadere reactie ingediend. De heffingsambtenaar heeft geen gebruik gemaakt van de gelegenheid om op deze reactie van belanghebbende te reageren.
De rechtbank nodigt partijen niet uit voor een zitting, omdat dat op grond van artikel 8:54 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in deze zaak niet nodig is.

Overwegingen

1. De rechtbank gaat uit van de volgende feiten. In de uitspraak op bezwaar heeft de heffingsambtenaar aangegeven dat met belanghebbende tussen mei 2018 en januari 2019 mailverkeer heeft plaatsgevonden, wat heeft geleid tot een vaststellingsovereenkomst betreffende de WOZ-waarde voor het object voor de kalenderjaren 2018 tot en met 2020. Belanghebbende heeft dit niet betwist. De WOZ-beschikking voor het kalenderjaar 2020 is volgens de heffingsambtenaar lager vastgesteld dan in deze vaststellingsovereenkomst is overeengekomen. In de uitspraak op bezwaar heeft de heffingsambtenaar deze waarde gehandhaafd onder verwijzing naar de vaststellingsovereenkomst. Daarnaast is aangegeven dat de waardepeildatum voor het jaar 2020 ligt op 1 januari 2019 en dat op dat moment nog geen sprake was van een coronapandemie. In de uitspraak op bezwaar is daarnaast een tekst opgenomen van het schriftelijk verslag van de hoorzitting, waarin belanghebbende verwijst naar de WOZ-waarde van € 4.415.000,- conform compromis.
2. Gelet op deze overeenkomst tussen partijen ziet de rechtbank zich ambtshalve voor de vraag gesteld of belanghebbende nog procesbelang heeft bij dit beroep.
3. Bij brief van 18 oktober 2021 is aan belanghebbende gevraagd wat het procesbelang is bij (voortzetting van) de beroepsprocedure. Belanghebbende heeft op deze brief gereageerd en heeft aangevoerd dat de heffingsambtenaar een veel te hoge waarde heeft toegekend aan het object, zonder rekening te houden met de gevolgen van de coronapandemie.
4. De rechtbank stelt vast dat tussen partijen niet in geschil is dat over de WOZ-waarde voor het kalenderjaar 2020, met een waardepeildatum 1 januari 2019, een vaststellingsovereenkomst is gesloten en dat de WOZ-waarde voor het kalenderjaar 2020 dient te worden vastgesteld op € 4.415.000,-. Deze overeenstemming, de waardepeildatum en de toestandsdatum 1 januari 2020 zijn van vóór de coronapandemie. Het standpunt van belanghebbende in beroep dat de waarde veel te hoog is vastgesteld, zonder rekening te houden met de coronapandemie, kan dan ook niet worden gevolgd. Daarnaast is dit standpunt naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende om de vaststellingsovereenkomst te doorbreken. Nu belanghebbende geen (andere) concrete gronden heeft aangevoerd waarom de uitspraak op bezwaar niet juist zou zijn, kan een verdere behandeling van het beroep achterwege blijven en dient het beroep kennelijk ongegrond te worden verklaard.
5. Belanghebbende maakt aanspraak op vergoeding van immateriële schade vanwege de overschrijding van de redelijke termijn waarbinnen het onderhavige geschil beslecht had moeten zijn. De rechtbank merkt hierover op dat gezien de WOZ-waarde tussen partijen is overeengekomen, er geen sprake kan zijn geweest van spanning en frustratie. Voor zover die spanning en frustratie er volgens belanghebbende wel was, moet eerst worden vastgesteld of de redelijke termijn voor behandeling van bezwaar en beroep, die twee jaar bedraagt, is overschreden. De rechtbank stelt vast dat het bezwaarschrift op 7 februari 2020 door de heffingsambtenaar is ontvangen en dat de rechtbank op 2 februari 2022 uitspraak doet. Daaruit volgt dat de redelijke termijn van twee jaar niet is overschreden en belanghebbende geen recht heeft op immateriële schadevergoeding. Het verzoek zal daarom worden afgewezen.
6. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om immateriële schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. L.P. Hertsig, rechter, in aanwezigheid van M.H.A. de Graaf, griffier, op 2 februari 2022 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
griffier rechter
Afschrift verzonden aan partijen op:

Wat kunt u doen als u het niet eens bent met deze uitspraak?

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de datum van verzending verzet worden gedaan bij de rechtbank (artikel 8:55 Awb Pro). De indiener van het verzetschrift kan daarbij vragen in de gelegenheid te worden gesteld over het verzet te worden gehoord.