ECLI:NL:RBZWB:2022:508

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
2 februari 2022
Publicatiedatum
2 februari 2022
Zaaknummer
AWB - 21 _ 511
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Vereenvoudigde behandeling
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 AwbArt. 8:55 AwbWet waardering onroerende zakenAlgemene wet bestuursrecht
Verwijzingen
4 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing beroep tegen WOZ-waarde en verzoek immateriële schadevergoeding gemeente Steenbergen

De heffingsambtenaar van de gemeente Steenbergen stelde de WOZ-waarden van vier onroerende zaken vast voor het jaar 2020, waartegen belanghebbende bezwaar maakte. Na gedeeltelijke verlaging en intrekking van enkele WOZ-beschikkingen, stelde belanghebbende beroep in bij de rechtbank.

Tijdens de procedure stemde belanghebbende in met een verlaging van de WOZ-waarde van één object en werden de beschikkingen van twee andere objecten vernietigd. De rechtbank stelde vast dat hierdoor het procesbelang voor deze objecten was komen te vervallen, waardoor het beroep op deze punten niet ontvankelijk werd verklaard of ongegrond.

Belanghebbende voerde aan dat de coronapandemie onvoldoende werd meegewogen bij de waardebepaling, maar de rechtbank oordeelde dat partijen juist tijdens de pandemie overeenstemming bereikten over de waarde, waardoor dit standpunt onvoldoende was.

Ten aanzien van het verzoek om immateriële schadevergoeding stelde de rechtbank vast dat de redelijke termijn van twee jaar voor bezwaar en beroep niet was overschreden en dat de spanningen bij belanghebbende waren beëindigd, waardoor het verzoek werd afgewezen.

De rechtbank wees het beroep tegen de WOZ-waarde van het eerste object af, verklaarde de beroepen tegen de andere twee objecten niet-ontvankelijk en wees het verzoek om immateriële schadevergoeding af.

Uitkomst: Het beroep tegen de WOZ-waarde is ongegrond verklaard, de beroepen tegen andere WOZ-beschikkingen niet-ontvankelijk en het verzoek om immateriële schadevergoeding is afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Belastingrecht
zaaknummers: BRE 21/511, 21/517 en 21/518 WOZ

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 2 februari 2022 in de zaak tussen

[belanghebbende] , te [woonplaats] , eiser

gemachtigde: mr. D.A.N. Bartels,
en

de heffingsambtenaar van de gemeente Steenbergen, verweerder.

Procesverloop

De heffingsambtenaar heeft bij beschikkingen op grond van de Wet waardering onroerende zaken (hierna: Wet WOZ) van 29 februari 2020 de waarde van de onderstaande onroerende zaken voor het kalenderjaar 2020 vastgesteld. In hetzelfde document heeft de heffingsambtenaar ook de aanslagen onroerendezaakbelastingen (OZB) bekendgemaakt.
Zaaknummer
WOZ-object
WOZ-waarde
BRE 21/511
[adres 1] te [plaats 1]
€ 267.000,-
BRE 21/517
[adres 2] te [plaats 2]
€ 205.000,-
BRE 21/518
[adres 3] te [plaats 2]
€ 99.000,-
BRE 21/519
[adres 4] te [plaats 2]
€ 165.000,-
Belanghebbende heeft hiertegen bezwaar gemaakt. In de uitspraak op bezwaar van 29 februari 2020 heeft de heffingsambtenaar het bezwaar deels gegrond en deels ongegrond verklaard.
Belanghebbende heeft hiertegen beroep ingesteld.
De heffingsambtenaar heeft een verweerschrift ingediend.
Belanghebbende heeft op verzoek van de rechtbank een nadere reactie ingediend. De heffingsambtenaar heeft geen gebruik gemaakt van de gelegenheid om op deze reactie van belanghebbende te reageren.
De rechtbank nodigt partijen niet uit voor een zitting, omdat dat op grond van artikel 8:54 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in deze zaak niet nodig is.

Overwegingen

1. De rechtbank gaat uit van de volgende feiten. Tijdens de hoorzitting op 1 december 2020 is belanghebbende akkoord gegaan met verlaging van de WOZ-waarde van de objecten [adres 1] naar € 198.000,- en [adres 2] naar € 171.000,-, als de waarden van [adres 3] en 13 ook elk met € 5.000,- worden verlaagd. In een e-mailbericht van 1 december 2020 aan de heffingsambtenaar is belanghebbende definitief akkoord gegaan met de WOZ-waarde van € 198.000,- voor het object [adres 1] .
In de uitspraak op bezwaar heeft de heffingsambtenaar de waarde van [adres 1] verlaagd naar € 198.000,-, de beschikkingen van de objecten [adres 2] en [adres 3] vernietigd, vanwege een onjuiste objectafbakening en de waarde van [adres 4] gehandhaafd.
2. Gelet op de verlaging van de WOZ-waarde van object [adres 1] en de intrekking van de WOZ-beschikkingen van de objecten [adres 2] en [adres 3] ziet de rechtbank zich ambtshalve voor de vraag gesteld of belanghebbende nog procesbelang heeft bij de beroepen aangaande deze WOZ-beschikkingen.
3. Bij brief van 18 oktober 2021 is aan belanghebbende gevraagd wat het procesbelang is bij (voortzetting van) de beroepsprocedures inzake de objecten [adres 1] , [adres 2] en [adres 3] . Belanghebbende heeft op deze brief gereageerd en heeft aangevoerd dat de heffingsambtenaar een veel te hoge waarde heeft toegekend aan de objecten, zonder rekening te houden met de gevolgen van de coronapandemie.
4. De rechtbank stelt vast dat partijen op 1 december 2020, en dus tijdens de coronapandemie, overeen zijn gekomen dat het object [adres 1] voor het kalenderjaar 2020 een WOZ-waarde heeft van € 198.000,-. Het standpunt van belanghebbende in beroep dat de waarde veel te hoog is vastgesteld, zonder rekening te houden met de coronapandemie, kan dan ook niet worden gevolgd. Daarnaast is dit standpunt naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende om de bereikte overeenstemming te doorbreken. Nu belanghebbende betreffende dit object geen (andere) concrete gronden heeft aangevoerd waarom de uitspraak op bezwaar niet juist zou zijn, kan een verdere behandeling van het beroep inzake het object [adres 1] achterwege blijven en dient het beroep kennelijk ongegrond te worden verklaard.
5. De heffingsambtenaar heeft de WOZ-beschikkingen betreffende de objecten [adres 2] en [adres 3] vernietigd. Dit betekent dat de beroepen inzake deze objecten niet meer tot een voor belanghebbende gunstiger resultaat kunnen leiden. Er is namelijk niet langer sprake van een geschil met betrekking tot deze WOZ-beschikkingen. De beroepen inzake de objecten [adres 2] en [adres 3] zullen daarom wegens gebrek aan belang kennelijk niet-ontvankelijk worden verklaard.
6. Belanghebbende heeft nog wel belang bij een oordeel van de rechtbank ten aanzien van zijn verzoek om immateriële schadevergoeding. Daartoe dient te worden vastgesteld of de redelijke termijn voor behandeling van bezwaar en beroep, die twee jaar bedraagt, is overschreden. De rechtbank stelt vast dat het bezwaarschrift op 13 maart 2020 door de heffingsambtenaar is ontvangen en dat de rechtbank op 2 februari 2022 uitspraak doet. Daaruit volgt dat de redelijke termijn van twee jaar niet is overschreden. Noch daargelaten dat de spanningen en frustraties bij belanghebbende al zijn beëindigd op het moment dat de WOZ-beschikking inzake [adres 1] in overeenstemming tussen partijen verlaagd is vastgesteld en de WOZ-beschikkingen inzake [adres 2] en [adres 3] zijn vernietigd. Belanghebbende heeft geen recht op immateriële schadevergoeding. Het verzoek zal daarom worden afgewezen.
7. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
8. De rechtbank merkt tot slot op dat deze uitspraak niet het beroep van belanghebbende inzake de WOZ-beschikking van het object [adres 4] betreft met zaaknummer BRE 21/519. Daarover ontvangt belanghebbende te zijner tijd nader bericht.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep inzake het object [adres 1] (BRE 21/511) ongegrond;
- verklaart de beroepen inzake de objecten [adres 2] en [adres 3] (BRE
21/517 en 21/518) niet-ontvankelijk;
- wijst het verzoek om immateriële schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. L.P. Hertsig, rechter, in aanwezigheid van M.H.A. de Graaf, griffier, op 2 februari 2022 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
griffier rechter
Afschrift verzonden aan partijen op:

Wat kunt u doen als u het niet eens bent met deze uitspraak?

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de datum van verzending verzet worden gedaan bij de rechtbank (artikel 8:55 Awb Pro). De indiener van het verzetschrift kan daarbij vragen in de gelegenheid te worden gesteld over het verzet te worden gehoord.