Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
1.Inleiding
2.Feiten
Verlies van arbeidsvermogen
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Belanghebbende, ondernemer met een eenmanszaak, liep op 10 september 2014 een bedrijfsongeval op waarbij zij voetletsel en chronische pijnklachten kreeg. Zij ontving een lumpsum schadevergoeding van €480.000 van verzekeraar Amlin, waarvan €388.135 bestemd was voor verlies aan arbeidsvermogen. De inspecteur rekende de ontvangen bedragen, behalve de vergoeding voor immateriële schade, tot de belastbare winst uit onderneming en legde aanslagen IB/PVV en Zvw op voor de jaren 2016 tot en met 2018.
Belanghebbende maakte bezwaar tegen de aanslagen, stellende dat de vergoeding voor blijvende arbeidsongeschiktheid onbelast moet blijven. De rechtbank oordeelt dat sprake is van gedeeltelijke blijvende arbeidsongeschiktheid en dat het bedrag voor verlies aan arbeidsvermogen onbelast is. Voor overige vergoedingen heeft belanghebbende onvoldoende bewijs geleverd dat deze daadwerkelijk gemaakte kosten betreffen, waardoor een deel van €41.866 tot de winst moet worden gerekend.
De rechtbank vernietigt de aanslagen en belastingrentebeschikkingen voor genoemde jaren, stelt het belastbaar inkomen op nihil vast, en bepaalt dat de aanslagen Zvw eveneens vernietigd worden. Tevens veroordeelt zij de inspecteur tot vergoeding van griffierecht en proceskosten aan belanghebbende.
Uitkomst: De rechtbank vernietigt de aanslagen IB/PVV en Zvw 2016-2018 en stelt het belastbaar inkomen op nihil vast met vergoeding van proceskosten aan belanghebbende.