Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
uitspraak van 8 september 2022 van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[naam eiser] , te [plaatsnaam] , eiser,
Inleiding
Beoordeling door de rechtbank
Conclusie en gevolgen
.
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het besluit van het UWV om zijn WIA-uitkering per 9 september 2021 te handhaven op basis van een arbeidsongeschiktheid van 67,98%. De rechtbank heeft het beroep behandeld waarbij eiser en zijn gemachtigde afwezig waren.
De medische beoordeling, gebaseerd op rapporten van een primaire arts SMZ en verzekeringsartsen van het UWV, concludeert dat eiser beperkingen heeft die duurzaam zijn en leiden tot een arbeidsongeschiktheid van circa 68%. De beperkingen betreffen onder meer aandacht, concentratie, fysieke belastbaarheid en energieniveau. De verzekeringsarts b&b bevestigt deze beoordeling en stelt dat de beperkingen passend zijn bij het ziektebeeld en dat er geen aanwijzingen zijn voor een hogere mate van arbeidsongeschiktheid.
Eiser betoogt dat hij volledig arbeidsongeschikt is, zowel door psychische als fysieke klachten, en verzoekt om een onafhankelijk medisch onderzoek. De rechtbank oordeelt echter dat het medisch onderzoek zorgvuldig is uitgevoerd en dat de door eiser aangevoerde medische onderbouwing onvoldoende is om het oordeel van het UWV te weerleggen.
De arbeidsdeskundige van het UWV heeft passende functies geselecteerd die aansluiten bij de beperkingen van eiser. De rechtbank vindt geen reden om deze functies ongeschikt te achten en bevestigt de vastgestelde mate van arbeidsongeschiktheid van 67,98%. Het beroep wordt ongegrond verklaard en eiser krijgt geen proceskostenvergoeding of griffierecht terug.
Deze uitspraak is gedaan door rechter R.P. Broeders en openbaar gemaakt op 8 september 2022.
Uitkomst: Het beroep van eiser tegen de handhaving van zijn WIA-uitkering wordt ongegrond verklaard met een vastgestelde arbeidsongeschiktheid van 67,98%.