ECLI:NL:RBZWB:2022:5252

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
9 september 2022
Publicatiedatum
9 september 2022
Zaaknummer
BRE-21_4319
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:41 AwbArt. 8:54 AwbArt. 8:75 AwbArt. 8:75a AwbBesluit proceskosten bestuursrecht
Verwijzingen
7 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek proceskostenvergoeding na intrekking beroep parkeerbelasting

Belanghebbende stelde beroep in tegen een naheffingsaanslag parkeerbelasting van de gemeente Middelburg. De heffingsambtenaar verklaarde het bezwaar niet-ontvankelijk wegens overschrijding van de termijn, waarna belanghebbende beroep instelde bij de rechtbank.

Vervolgens kwam de heffingsambtenaar alsnog aan het bezwaar tegemoet en vernietigde de naheffingsaanslag. Naar aanleiding hiervan trok belanghebbende het beroep in en verzocht om vergoeding van proceskosten.

De rechtbank beoordeelde het verzoek op grond van de Algemene wet bestuursrecht en het Besluit proceskosten bestuursrecht. Hoewel de heffingsambtenaar aan het beroep tegemoet was gekomen, waren er geen proceskosten die voor vergoeding in aanmerking kwamen. Belanghebbende had het griffierecht van €49,- betaald, dat door de heffingsambtenaar moet worden vergoed, maar overige kosten waren niet gespecificeerd.

Daarom wees de rechtbank het verzoek om proceskostenvergoeding af en wees erop dat belanghebbende het griffierecht rechtstreeks bij de heffingsambtenaar moet claimen.

Uitkomst: Het verzoek om proceskostenvergoeding wordt afgewezen omdat geen proceskosten voor vergoeding in aanmerking komen.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Belastingrecht
zaaknummer: BRE 21/4319

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 9 september 2022 in de zaak tussen

[belanghebbende] , uit [plaats] , [land] , belanghebbende

en

De heffingsambtenaar van de gemeente Middelburg, de heffingsambtenaar.

Procesverloop

Belanghebbende heeft beroep ingesteld tegen de uitspraak op bezwaar van 29 september 2021, verzonden op 4 oktober 2021, betreffende de naheffingsaanslag parkeerbelasting met aanslagnummer [aanslagnummer] .
De heffingsambtenaar heeft het bezwaar niet-ontvankelijk verklaard wegens overschrijding van de bezwaartermijn.
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak op bezwaar beroep ingesteld.
Bij brief van 10 december 2021, verzonden op 13 december 2021, heeft de heffingsambtenaar laten weten alsnog aan het bezwaar tegemoet te komen en de naheffingsaanslag vernietigd te hebben.
Naar aanleiding hiervan heeft belanghebbende het beroep ingetrokken met daarbij het verzoek de heffingsambtenaar te veroordelen tot vergoeding van proceskosten.
De rechtbank heeft de heffingsambtenaar in de gelegenheid gesteld te reageren op dat verzoek.
De heffingsambtenaar heeft de rechtbank meegedeeld dat er naar zijn mening geen proceskosten te vergoeden zijn op basis van het Besluit Proceskosten bestuursrecht.

Overwegingen

De rechtbank doet op grond van artikel 8:54 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) zonder zitting uitspraak op het verzoek om proceskostenveroordeling.
De veroordeling van een partij in de proceskosten is geregeld in de artikelen 8:75 en 8:75a van de Awb en nader uitgewerkt in het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb). Als een beroep wordt ingetrokken, omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het beroepschrift is tegemoet gekomen, kan de rechtbank op verzoek van de indiener dat bestuursorgaan bij afzonderlijke uitspraak veroordelen in de proceskosten. Dit is geregeld in artikel 8:75a van de Awb.
Gelet op de gedingstukken en het hiervoor weergegeven procesverloop is de heffingsambtenaar tegemoet gekomen aan het beroep van belanghebbende.
Belanghebbende heeft verzocht om een vergoeding van € 20,- aan andere kosten en heeft daarbij aangegeven dat dit gaat om “
brief, post, kosten”. Ondanks hiertoe te zijn uitgenodigd heeft belanghebbende deze kosten niet gespecificeerd.
De heffingsambtenaar is weliswaar tegemoet gekomen aan het beroep van belanghebbende, maar toch bestaat geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. Het beroepschrift is niet ingediend door een derde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent en ook verder is niet gebleken van proceskosten die voor vergoeding in aanmerking komen zoals bedoeld in artikel 1 van Pro het Bpb.
De rechtbank wijst erop dat de heffingsambtenaar op grond van artikel 8:41, zevende lid, van de Awb verplicht is het door belanghebbende betaalde griffierecht van € 49,- te vergoeden. Belanghebbende zal zich hiervoor dan ook tot de heffingsambtenaar moeten wenden.

Beslissing

De rechtbank wijst het verzoek om proceskostenvergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S.A.J. Bastiaansen, rechter, in aanwezigheid van P. van der Hoeven, griffier, op 9 september 2022 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Bent u het niet eens met deze uitspraak?

Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de rechtbank waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een verzetschrift. U moet dit verzetschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven. Als u graag een zitting wilt waarin u uw verzetschrift kunt toelichten, kunt u dit in uw verzetschrift vermelden.