Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
1.Inleiding
2.Feiten
3.Beoordeling door de rechtbank
4.Conclusie en gevolgen
5.Beslissing
2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Belanghebbende en zijn echtgenote waren eigenaar van een rijksmonumentale woning die in 2016 werd verbouwd. Belanghebbende gaf in de aangifte inkomstenbelasting een bedrag van €50.139 aan aftrekbare onderhoudskosten op, waarvan een deel aan hem werd toegerekend. De inspecteur nam bij de definitieve aanslag geen aftrek van onderhoudskosten in aanmerking, maar na bezwaar werd dit bedrag verhoogd tot €7.105.
Belanghebbende stelde dat de aftrekbare onderhoudskosten hoger waren en overhandigde een eigen berekening, terwijl de inspecteur een taxatierapport van een geregistreerd NRVT-taxateur overlegde waarin per verbouwingselement werd aangegeven wat als onderhoudskosten kon worden aangemerkt. De rechtbank oordeelde dat belanghebbende onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat het bedrag hoger moest zijn dan het door de inspecteur gehanteerde bedrag.
De rechtbank baseerde zich op artikel 6.31 van de Wet inkomstenbelasting 2001, waarin de voorwaarden voor aftrek van onderhoudskosten aan monumentenpanden zijn vastgelegd. Kosten voor verbetering zijn niet aftrekbaar. De bewijslast rustte op belanghebbende, die niet kon weerleggen dat een deel van de kosten verbetering betrof.
Daarom verklaarde de rechtbank het beroep ongegrond en handhaafde de aanslag zoals vastgesteld bij de uitspraak op bezwaar. Belanghebbende kreeg geen vergoeding van griffierecht of proceskosten.
Uitkomst: Het beroep van belanghebbende tegen de aanslag inkomstenbelasting 2016 wordt ongegrond verklaard en de aanslag gehandhaafd.