ECLI:NL:RBZWB:2022:5363
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
- Op tegenspraak
- Rechtspraak.nl
Afwijzing gevangenhouding wegens ontbreken wettelijke hulpverleningsverplichting partner
De zaak betreft een verdachte die zijn partner in een hulpeloze toestand heeft achtergelaten, wat uiteindelijk tot haar overlijden heeft geleid. De officier van justitie vorderde de gevangenhouding van verdachte op grond van artikel 255 Wetboek Pro van Strafrecht, gelezen in samenhang met artikel 257 lid Pro 2, met de stelling dat verdachte krachtens wet of overeenkomst verplicht was hulp te verlenen.
De rechtbank heeft de vordering tot gevangenhouding beoordeeld en daarbij overwogen dat het bestanddeel 'krachtens de wet' ziet op juridische relatievormen zoals huwelijk of geregistreerd partnerschap, die hier niet aanwezig waren. De officier stelde dat ook een natuurlijke verbintenis op grond van artikel 6:3 BW Pro een hulpverleningsplicht kan opleggen, maar de rechtbank verwierp dit omdat deze bepaling geen plicht tot hulpverlening bevat.
De rechtbank oordeelde dat het niet tot de rechtsvormende taak van de rechter behoort om artikel 255 WvSr Pro aan te passen aan moderne relatievormen, mede gelet op het legaliteitsbeginsel en het hoge strafmaximum. De gewijzigde maatschappelijke context rechtvaardigt geen uitbreiding van de reikwijdte van het artikel door de rechter.
Daarom wees de rechtbank de vordering tot gevangenhouding af en hechtte het bevel tot voorlopige hechtenis op met ingang van de uitspraakdatum 14 september 2022.
Uitkomst: De rechtbank wijst de vordering tot gevangenhouding af en heft het bevel tot voorlopige hechtenis op.