ECLI:NL:RBZWB:2022:5403

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
16 september 2022
Publicatiedatum
16 september 2022
Zaaknummer
AWB- 22_2329
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:41 AwbArt. 8:54 AwbArt. 8:75 AwbArt. 8:75a AwbBesluit proceskosten bestuursrecht
Verwijzingen
7 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Proceskostenveroordeling na intrekking beroep wegens tijdige beslissing bezwaar Wmo 2015

Verzoekster stelde beroep in tegen het college van burgemeester en wethouders van Tilburg omdat zij meende dat het college niet tijdig had beslist op haar bezwaar tegen de afwijzing van een aanvraag voor een maatwerkvoorziening onder de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015. Het bezwaar betrof een besluit van 30 november 2020 en was ingediend op 31 december 2021.

Op 16 juni 2022 heeft het college alsnog een beslissing genomen op het bezwaar, waarna verzoekster haar beroep introk en verzocht om een proceskostenvergoeding. Het college stemde hiermee in. De rechtbank heeft vervolgens zonder zitting uitspraak gedaan over het verzoek om proceskostenveroordeling.

De rechtbank oordeelde dat het beroep terecht was ingetrokken omdat het college aan het beroep tegemoet was gekomen. De proceskostenveroordeling werd beperkt tot de beroepsfase, aangezien voor de bezwaarfase al een proceskostenvergoeding was toegekend. Gezien de jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep werd het geschil als licht beschouwd en werd het bedrag vastgesteld op €379,50. Daarnaast wees de rechtbank erop dat het griffierecht van €50,- door het college moet worden vergoed.

Uitkomst: Het college van burgemeester en wethouders van Tilburg is veroordeeld tot vergoeding van proceskosten van €379,50 en het griffierecht van €50,-.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Bestuursrecht
zaaknummer: BRE 22/2329

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 16 september 2022 in de zaak tussen

[naam verzoekster] , uit [plaatsnaam] , verzoekster

(gemachtigde: [naam gemachtigde] ),
en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Tilburg, verweerder.

Procesverloop

Verzoekster heeft bij brief van 26 april 2022 beroep ingesteld omdat verweerder volgens haar niet op tijd heeft beslist op het bezwaar van 31 december 2021 tegen het besluit van 30 november 2020 betreffende de afwijzing van de aanvraag om een maatwerkvoorziening in de vorm van individuele begeleiding en dagbesteding ingevolge de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015.
Bij besluit van 16 juni 2022 heeft verweerder op het bezwaar beslist.
Naar aanleiding hiervan heeft verzoekster het beroep ingetrokken met daarbij het verzoek verweerder te veroordelen tot vergoeding van de proceskosten.
De rechtbank heeft verweerder in de gelegenheid gesteld te reageren op dat verzoek.
Verweerder heeft de rechtbank meegedeeld akkoord te gaan met een veroordeling in de proceskosten.

Overwegingen

De rechtbank doet op grond van artikel 8:54 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) zonder zitting uitspraak op het verzoek om proceskostenveroordeling.
De veroordeling van een partij in de proceskosten is geregeld in de artikelen 8:75 en 8:75a van de Awb en nader uitgewerkt in het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb). Als een beroep wordt ingetrokken, omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het beroepschrift is tegemoet gekomen, kan de rechtbank op verzoek van de indiener dat bestuursorgaan bij afzonderlijke uitspraak veroordelen in de proceskosten. Dit is geregeld in artikel 8:75a van de Awb.
Gelet op de gedingstukken en het hiervoor weergegeven procesverloop is verweerder tegemoet gekomen aan het beroep van verzoekster.
Bij de beslissing op bezwaar heeft verweerder al een proceskostenveroordeling voor de bezwaarfase toegekend. De beoordeling hierna over de gevraagde proceskostenveroordeling beperkt zich daarom tot de beroepsfase.
Het verzoek wordt als kennelijk gegrond toegewezen. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door verzoekster gemaakte proceskosten. Daarbij merkt de rechtbank het gewicht van de onderhavige zaak aan als licht, gelet op de jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep, waarin is overwogen dat geschillen met betrekking tot het uitblijven van een besluit als licht moeten worden beschouwd. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Bpb voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 379,50 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift met een waarde per punt van € 759,- met een wegingsfactor 0,5).
De rechtbank wijst erop dat verweerder op grond van artikel 8:41, zevende lid, van de Awb verplicht is het door verzoekster betaalde griffierecht van € 50,- te vergoeden. Verzoekster zal zich hiervoor dan ook tot verweerder moeten wenden.

Beslissing

De rechtbank veroordeelt verweerder in de proceskosten van verzoekster tot een bedrag van € 379,50.
Deze uitspraak is gedaan door mr. L.P. Hertsig, rechter, in aanwezigheid van D. Alblas, griffier, op 16 september 2022 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Bent u het niet eens met deze uitspraak?

Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de rechtbank waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een verzetschrift. U moet dit verzetschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven. Als u graag een zitting wilt waarin u uw verzetschrift kunt toelichten, kunt u dit in uw verzetschrift vermelden.