ECLI:NL:RBZWB:2022:5407

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
16 september 2022
Publicatiedatum
16 september 2022
Zaaknummer
BRE-21-5553
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Vereenvoudigde behandeling
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:41 AwbArt. 8:54 AwbArt. 8:75 AwbArt. 8:75a AwbBesluit proceskosten bestuursrecht
Verwijzingen
6 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling heffingsambtenaar tot vergoeding proceskosten na intrekking beroep onroerendezaakbelasting

Belanghebbende maakte bezwaar tegen de vastgestelde waarde van zijn onroerende zaak aan een adres te Vlissingen, welke leidde tot een aanslag onroerendezaakbelasting voor 2021. De heffingsambtenaar stelde de waarde aanvankelijk vast op €180.000, maar verklaarde het bezwaar ongegrond. Belanghebbende stelde beroep in bij de rechtbank.

Tijdens de procedure kwam de heffingsambtenaar tegemoet door de waarde op de peildatum aan te passen naar €167.000. Naar aanleiding hiervan trok belanghebbende het beroep in en verzocht de rechtbank de heffingsambtenaar te veroordelen tot vergoeding van de gemaakte proceskosten.

De rechtbank oordeelde dat de tegemoetkoming voldoende was om het beroep in te trekken en dat de proceskostenveroordeling op grond van de Awb en het Besluit proceskosten bestuursrecht terecht was. De heffingsambtenaar werd veroordeeld tot vergoeding van €1.028 aan proceskosten, exclusief het griffierecht dat belanghebbende rechtstreeks bij de heffingsambtenaar kan claimen.

Uitkomst: De rechtbank veroordeelt de heffingsambtenaar tot vergoeding van €1.028 aan proceskosten na intrekking van het beroep wegens tegemoetkoming.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Belastingrecht
zaaknummer: BRE 21/5553

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 16 september 2022 in de zaak tussen

[belanghebbende] , uit [plaats] , belanghebbende,

(gemachtigde: R. Taibi),
en

De heffingsambtenaar van de gemeente Vlissingen, de heffingsambtenaar.

Procesverloop

De heffingsambtenaar heeft de waarde van de onroerende zaak [adres] 7 te [plaats] op 1 januari 2020 (de waardepeildatum) vastgesteld op € 180.000 (de beschikking). Met deze waardevaststelling is aan belanghebbende ook de aanslag in de onroerendezaakbelastingen van de gemeente Vlissingen voor het jaar 2021 opgelegd (de aanslag).
In de uitspraak op het bezwaarschrift van 6 december 2021 heeft de heffingsambtenaar het bezwaar van belanghebbende ongegrond verklaard.
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak op bezwaar beroep ingesteld.
In zijn brief van 7 februari 2022 aan belanghebbende heeft de heffingsambtenaar het besloten tegemoet te komen aan belanghebbende en de waarde op de waardepeildatum vast te stellen op € 167.000.
Naar aanleiding hiervan heeft belanghebbende het beroep ingetrokken met daarbij het verzoek de heffingsambtenaar te veroordelen tot vergoeding van de proceskosten.
De rechtbank heeft de heffingsambtenaar in de gelegenheid gesteld te reageren op dat verzoek.
De heffingsambtenaar heeft de rechtbank medegedeeld dat proceskosten kunnen worden vergoed op basis van het Besluit proceskosten bestuursrecht.

Overwegingen

De rechtbank doet op grond van artikel 8:54 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) zonder zitting uitspraak op het verzoek om proceskostenveroordeling.
De veroordeling van een partij in de proceskosten is geregeld in de artikelen 8:75 en 8:75a van de Awb en nader uitgewerkt in het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb). Als een beroep wordt ingetrokken, omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het beroepschrift is tegemoet gekomen, kan de rechtbank op verzoek van de indiener dat bestuursorgaan bij afzonderlijke uitspraak veroordelen in de proceskosten. Dit is geregeld in artikel 8:75a van de Awb.
Gelet op de gedingstukken en het hiervoor weergegeven procesverloop is de heffingsambtenaar tegemoet gekomen aan het beroep van belanghebbende.
Het verzoek wordt als kennelijk gegrond toegewezen. De rechtbank veroordeelt de heffingsambtenaar in de door belanghebbende gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Bpb voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.028,- (1 punt voor het indienen van het bezwaarschrift met een waarde per punt van € 269,- en 1 punt voor het indienen van het beroepschrift met een waarde per punt van € 759,- met een wegingsfactor 1).
De rechtbank wijst erop dat de heffingsambtenaar op grond van artikel 8:41, zevende lid, van de Awb verplicht is het door belanghebbende betaalde griffierecht van € 49,- te vergoeden. Belanghebbende zal zich hiervoor dan ook tot de heffingsambtenaar moeten wenden.

Beslissing

De rechtbank veroordeelt de heffingsambtenaar in de proceskosten van belanghebbende tot een bedrag van € 1.028,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S.A.J. Bastiaansen, rechter, in aanwezigheid van N. Plasman, griffier, op 16 september 2022 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De griffier, De rechter,
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Bent u het niet eens met deze uitspraak?

Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de rechtbank waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een verzetschrift. U moet dit verzetschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven. Als u graag een zitting wilt waarin u uw verzetschrift kunt toelichten, kunt u dit in uw verzetschrift vermelden. De werking van deze uitspraak wordt opgeschort totdat de termijn voor het instellen van verzet is verstreken of, indien verzet wordt ingesteld, op dat verzet is beslist.