ECLI:NL:RBZWB:2022:5429
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Verzet tegen niet-ontvankelijkverklaring beroep niet tijdig beslissen handhavingsverzoek ongegrond verklaard
Opposanten hadden beroep ingesteld tegen het niet tijdig beslissen door het college van burgemeester en wethouders van een gemeente op een handhavingsverzoek betreffende bouwwerkzaamheden zonder omgevingsvergunning. De rechtbank had dit beroep op 21 april 2022 niet-ontvankelijk verklaard omdat de ingebrekestelling te vroeg was gedaan, namelijk voordat de beslistermijn was verstreken.
Tegen deze niet-ontvankelijkverklaring werd verzet ingesteld. De rechtbank heeft dit verzet behandeld en onderzocht of zij terecht had geoordeeld dat het beroep niet-ontvankelijk was. De rechtbank concludeert dat het college op het moment van de ingebrekestelling nog binnen de redelijke beslistermijn zat, waardoor het beroep niet ontvankelijk kon worden verklaard.
De rechtbank overweegt dat er geen wettelijke beslistermijn geldt voor handhavingsverzoeken, maar dat een redelijke termijn geldt van in ieder geval acht weken, tenzij bijzondere omstandigheden een kortere termijn rechtvaardigen. In deze zaak was er al een last onder dwangsom opgelegd en waren de werkzaamheden stilgelegd, waardoor geen kortere termijn noodzakelijk was.
Het verzet wordt ongegrond verklaard en de eerdere uitspraak blijft in stand. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.
Uitkomst: Het verzet tegen de niet-ontvankelijkverklaring van het beroep tegen het niet tijdig beslissen wordt ongegrond verklaard.