De zaak betreft een verzoek van de gecertificeerde instelling (GI) om vervangende toestemming te verlenen voor een noodzakelijke traumatherapie voor een minderjarige van twaalf jaar of ouder. De vader, die het ouderlijk gezag uitoefent, weigert zijn toestemming voor de behandeling te geven. De minderjarige heeft traumatische ervaringen uit zijn vroege kinderjaren in zijn geboorteland, die leiden tot concentratieproblemen en hoofdpijn, en wil zelf de behandeling ondergaan.
De kinderrechter heeft de minderjarige, de vader, de pleegouders en een vertegenwoordiger van de GI gehoord. De vader betwist de verklaringen van het kind en vermoedt beïnvloeding door de pleegouders. De pleegouders bevestigen echter dat de minderjarige zelf zijn ervaringen heeft gedeeld en benadrukken de noodzaak van de behandeling.
De kinderrechter oordeelt dat er sprake is van een medische problematiek waarvoor behandeling noodzakelijk is om ernstig gevaar voor de gezondheid van de minderjarige af te wenden. Omdat de vader zijn toestemming weigert, verleent de rechter de GI vervangende toestemming voor de traumatherapie, die gepland staat te starten op 14 september 2022. Tevens wordt de beschikking uitvoerbaar bij voorraad verklaard en kan de behandelaar bij uitval worden vervangen door een collega.