Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
1.Inleiding
2.Beoordeling door de rechtbank
3.Conclusie en gevolgen
4.Beslissing
2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Belanghebbende betwist de vastgestelde WOZ-waarde van zijn woning voor het jaar 2020, die door de heffingsambtenaar is vastgesteld op €194.000. Hij stelt een lagere waarde van maximaal €171.000 voor. De rechtbank beoordeelt het beroep na behandeling op zitting en toetst de onderbouwing van beide partijen.
De heffingsambtenaar baseert de waardering op een taxatierapport van oktober 2020, waarin de woning is getaxeerd op €200.522 en referentiewoningen worden gebruikt die qua bouwjaar, oppervlakte en ligging vergelijkbaar zijn. De rechtbank acht deze referentiewoningen voldoende vergelijkbaar en concludeert dat de heffingsambtenaar aannemelijk heeft gemaakt dat de WOZ-waarde niet te hoog is vastgesteld.
Belanghebbende heeft onvoldoende aannemelijk gemaakt dat de waarde van de woning lager zou moeten zijn. Daarnaast verzoekt belanghebbende een vergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn. De rechtbank constateert een overschrijding van circa zes maanden en kent een vergoeding van €500 toe, die voor rekening van de Staat komt. Tevens wordt de Staat veroordeeld tot betaling van proceskosten van €380.
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond, bevestigt de WOZ-waarde van €194.000 en wijst de vergoeding en proceskosten toe aan belanghebbende.
Uitkomst: De WOZ-waarde van €194.000 wordt bevestigd en belanghebbende ontvangt een vergoeding van €500 wegens termijnoverschrijding.