De rechtbank Zeeland-West-Brabant behandelde een civiele zaak over de vermogensrechtelijke afwikkeling van een ontbonden huwelijk met internationaal karakter. Partijen waren in 1985 in het Turkse consulaat te Rotterdam getrouwd en hadden destijds de Turkse nationaliteit. De vrouw vorderde de verdeling van de echtelijke woning, terwijl de man zich op afwijzing beriep. De rechtbank toetste ambtshalve de bevoegdheid en het toepasselijke recht.
De rechtbank oordeelde dat op grond van de Chelouche/Van Leer-verwijzingsregels Turks recht van toepassing is op het huwelijksvermogensregime, omdat partijen geen rechtskeuze hadden gemaakt en destijds alleen de Turkse nationaliteit hadden. De vrouw deed een beroep op de onaanvaardbaarheidsexceptie en de Zimbabwe-exceptie, maar deze faalden omdat zij onvoldoende aannemelijk maakte dat zij in een onaanvaardbare situatie verkeerde of dat partijen zich consequent als gehuwd in gemeenschap van goederen hadden gedragen.
Omdat onder Turks recht de woning niet verdeeld hoeft te worden en deze op naam van de man staat, werd de primaire vordering van de vrouw afgewezen. De rechtbank veroordeelde de man wel om de vrouw te ontslaan uit de hoofdelijke aansprakelijkheid voor de hypothecaire geldlening, omdat het financiële risico voor de vrouw zonder compensatie onredelijk was. De voorwaardelijke reconventie van de man werd niet behandeld wegens niet-ontvankelijkheid. De proceskosten werden gecompenseerd.