Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
1.Inleiding
2.Feiten
3.Beoordeling door de rechtbank
.Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel is gekomen en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Belanghebbende, woonachtig in Duitsland, had voor het jaar 2020 een aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PVV) opgelegd gekregen over een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 12.659. De inspecteur had het bezwaar van belanghebbende gegrond verklaard door de aanslag te verminderen, omdat belanghebbende niet premieplichtig was in Nederland.
Belanghebbende stelde dat hij naast de reeds ontvangen teruggaaf recht had op een aanvullende teruggaaf van € 257, onderbouwd met een fiscaal rapport. De rechtbank stelde vast dat de feiten niet in geschil waren en dat belanghebbende alleen belasting verschuldigd was over de uitkering van Stichting pensioenfonds ABP. De rechtbank vond de berekening van belanghebbende onjuist en oordeelde dat geen recht op verdere teruggaaf bestond.
Hoewel belanghebbende niet is gehoord voorafgaand aan de uitspraak op bezwaar, achtte de rechtbank de schending van de hoorplicht niet benadelend omdat er geen verschil van mening over de feiten bestond en de inspecteur geen beleidsvrijheid had. Ook werd geen schending van het motiveringsbeginsel vastgesteld. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, kende proceskostenvergoeding toe en bepaalde dat het griffierecht aan belanghebbende wordt vergoed.
Uitkomst: Het beroep wordt ongegrond verklaard en geen aanvullende teruggaaf wordt toegekend.