De rechtbank Zeeland-West-Brabant behandelde op 23 september 2022 de zaak tegen verdachte die werd beschuldigd van medeplegen van voorbereidingshandelingen voor grootschalige hennepteelt. De officier van justitie stelde dat verdachte samen met een medeverdachte voorbereidingshandelingen had gepleegd door het beschikbaar stellen van een bedrijfspand en het aanwezig zijn van hennepgerelateerde goederen. De verdediging voerde aan dat verdachte niet wist van de aanwezigheid van deze goederen en geen actieve rol had in de handel.
Tijdens de zitting bleek uit verklaringen en het dossier dat verdachte het pand slechts sporadisch bezocht en de huur betaalde, terwijl medeverdachte de bedrijfsvoering zou hebben overgenomen. Getuigenverklaringen en inbeslaggenomen goederen wezen op betrokkenheid van medeverdachte, maar niet op nauwe samenwerking met verdachte. De rechtbank concludeerde dat onvoldoende bewijs bestond voor de vereiste nauwe en bewuste samenwerking die medeplegen vereist.
Hoewel verdachte mogelijk als katvanger fungeerde door het pand en de bedrijfsnaam beschikbaar te stellen, was medeplichtigheid niet ten laste gelegd. Daarom sprak de rechtbank verdachte vrij van het tenlastegelegde medeplegen. Daarnaast werd bepaald dat een in beslag genomen computer aan de rechthebbende moet worden teruggegeven, terwijl andere goederen onttrokken worden aan het verkeer vanwege de veroordeling van medeverdachte.