ECLI:NL:RBZWB:2022:5540

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
23 september 2022
Publicatiedatum
26 september 2022
Zaaknummer
02/293740-21
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Vrijspraak
Procedures
  • Op tegenspraak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 36b SrArt. 36c Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vrijspraak voor medeplegen voorbereidingshandelingen hennepteelt wegens onvoldoende bewijs nauwe samenwerking

De rechtbank Zeeland-West-Brabant behandelde op 23 september 2022 de zaak tegen verdachte die werd beschuldigd van medeplegen van voorbereidingshandelingen voor grootschalige hennepteelt. De officier van justitie stelde dat verdachte samen met een medeverdachte voorbereidingshandelingen had gepleegd door het beschikbaar stellen van een bedrijfspand en het aanwezig zijn van hennepgerelateerde goederen. De verdediging voerde aan dat verdachte niet wist van de aanwezigheid van deze goederen en geen actieve rol had in de handel.

Tijdens de zitting bleek uit verklaringen en het dossier dat verdachte het pand slechts sporadisch bezocht en de huur betaalde, terwijl medeverdachte de bedrijfsvoering zou hebben overgenomen. Getuigenverklaringen en inbeslaggenomen goederen wezen op betrokkenheid van medeverdachte, maar niet op nauwe samenwerking met verdachte. De rechtbank concludeerde dat onvoldoende bewijs bestond voor de vereiste nauwe en bewuste samenwerking die medeplegen vereist.

Hoewel verdachte mogelijk als katvanger fungeerde door het pand en de bedrijfsnaam beschikbaar te stellen, was medeplichtigheid niet ten laste gelegd. Daarom sprak de rechtbank verdachte vrij van het tenlastegelegde medeplegen. Daarnaast werd bepaald dat een in beslag genomen computer aan de rechthebbende moet worden teruggegeven, terwijl andere goederen onttrokken worden aan het verkeer vanwege de veroordeling van medeverdachte.

Uitkomst: Verdachte is vrijgesproken van medeplegen voorbereidingshandelingen voor hennepteelt wegens onvoldoende bewijs van nauwe samenwerking.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Strafrecht
Zittingsplaats: Breda
parketnummer: 02/293740-21
vonnis van de meervoudige kamer van 23 september 2022
in de strafzaak tegen
[verdachte]
geboren op [geboortedag] 1968 te [geboorteplaats]
wonende te [adres]
raadsman mr. I.A.C. Cools, advocaat te Tilburg

1.Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 9 september 2022, waarbij de officier van justitie, mr. S.B.C. Nicolaes, en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

2.De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.
De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte zich samen met een of meer anderen schuldig heeft gemaakt aan voorbereidingshandelingen voor grootschalige of bedrijfsmatige hennepteelt.

3.De voorvragen

De dagvaarding is geldig.
De rechtbank is bevoegd.
De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging.
Er is geen reden voor schorsing van de vervolging.

4.De beoordeling van het bewijs

4.1
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte met [medeverdachte] (hierna: [medeverdachte] ) voorbereidingshandelingen heeft gepleegd voor de bedrijfsmatige hennepteelt. [medeverdachte] was aanwezig op de dag van de doorzoeking van het bedrijfspand van [naam 1] waar in een ruimte de hennep gerelateerde goederen zijn aangetroffen. [medeverdachte] beschikte over de sleutel van die ruimte en er is ook een [naam 2] van [naam 1] aangetroffen op naam van [medeverdachte] . [medeverdachte] deed volgens verdachte de bedrijfsvoering. Verdachte was de huurder van het pand, kwam er regelmatig en voldeed de huur en administratie. Ook bleven spullen van verdachte in het pand staan.
4.2
Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft om meerdere redenen vrijspraak bepleit. Verdachte wist niet dat de betreffende goederen in de bedrijfsruimte aanwezig waren. Daarnaast heeft hij geen rol gespeeld bij de verkoop van de goederen. Van de voor medeplegen vereiste nauwe en bewust samenwerking is geen sprake. Tot slot is verdachte overtuigd dat de aangetroffen goederen bestemd kunnen worden voor hennepteelt, maar met niet voldoende zekerheid kan worden vastgesteld dat ze bestemd waren voor professionele teelt. In ieder geval wist verdachte dat niet en kon hij dat ook niet ernstig vermoeden.
4.3
Het oordeel van de rechtbank
Op basis van het dossier en de behandeling op zitting stelt de rechtbank vast dat de politie op 23 februari 2021 is binnengetreden in het bedrijfspand van [naam 1] in [plaats 1] . [naam 1] is de bedrijfsnaam van de eenmanszaak van verdachte. Na het binnentreden werd de deur van het kantoorgedeelte geopend door [medeverdachte] . Na aanvankelijk gezegd te hebben dat hij geen sleutel had van een afgesloten ruimte van het pand, pakte [medeverdachte] vervolgens een sleutel van de bovenzijde van een kast naast de afgesloten ruimte en opende de afgesloten ruimte. In die ruimte zijn vervolgens lampenkappen, transformatoren, henneptenten en groei- en bloeimiddelen aangetroffen en in beslag genomen.
De in [plaats 2] wonende [medeverdachte] heeft bij de politie verklaard dat hij op 23 februari 2021 in [plaats 1] bij [naam 1] was om werk te zoeken. Hij was daar in de buurt en gewoon naar binnen gelopen. Die verklaring van [medeverdachte] is volstrekt ongeloofwaardig. De eveneens uit [plaats 2] afkomstige getuige [getuige] was op 23 februari 2021 namelijk ook in het bedrijfspand en heeft verklaard dat hij daar op bezoek kwam om koffie te drinken met [medeverdachte] . Hij is er twee keer geweest om koffie te drinken met [medeverdachte] en die was dan steeds alleen. Bovendien is in het bedrijfspand een [naam 2] van [naam 1] in beslag genomen waarop als eerste (en enige) inkoper [medeverdachte] staat vermeld. Die pas is al uitgegeven op 31 december 2019. Tot slot heeft [medeverdachte] bij de politie verklaard dat hij geen inkomen of uitkering had, maar is er op 23 februari 2021 wel € 705,00 bij hem in beslag genomen, bestaande uit 2 briefjes van € 5,00, 12 van € 10,00, 26 van € 20,00 en 1 van
€ 50,00, wat naar het oordeel van de rechtbank past bij “handelsgeld”.
Verdachte heeft - zakelijk weergegeven - verklaard dat hij in 2017 in contact is gekomen met [medeverdachte] , die een bekende was van degene met wie verdachte in eerste instantie het bedrijfspand was gaan huren. [medeverdachte] zocht een ruimte en heeft alle lasten overgenomen: gas, water, licht en de huur. Verdachte was daar erg mee geholpen, omdat hij zo zijn eigen bedrijf van in- en verkoop van veilinggoederen in leven kon houden en zijn spullen droog stonden. Verdachte zelf kwam nog maar een of twee keer per maand in het bedrijfspand. Het geld voor de vaste lasten kreeg hij contant van [medeverdachte] en ook een enveloppe met de in- en verkoopfacturen voor de boekhouder van verdachte. Uit de verklaring van die boekhouder en door hem beschikbaar gestelde stukken is gebleken dat verdachte aan de boekhouder ook aan [naam 1] gerichte facturen voor de levering van hennepgerelateerde goederen heeft gegeven. Op zitting heeft verdachte nog toegelicht dat hij eigenlijk al vijf jaar dakloos is en alleen dankzij de ondersteuning van zijn vriendin het hoofd boven water kan houden.
De rechtbank stelt vast dat uit het dossier en de behandeling op zitting niet is gebleken van een betere (financiële) situatie van verdachte de afgelopen jaren dan door verdachte zelf geschetst. Evenmin is gebleken van een frequentere aanwezigheid van verdachte in het bedrijfspand dan wat hij zelf verklaart, namelijk een of twee keer per maand. En tot slot is ook niet gebleken van enige actieve betrokkenheid van verdachte bij de in- en verkoop van de hennepgerelateerde goederen. De bij de boekhouder ingeleverde aankoopfacturen op naam van het bedrijf van verdachte zijn daarvoor onvoldoende.
Gelet op het voorgaande kan naar het oordeel van de rechtbank niet wettig en overtuigend bewezen worden dat er op 23 februari 2021 een nauwe en intensieve samenwerking is geweest tussen [medeverdachte] en verdachte bij het te koop aanbieden en voorhanden hebben van de hennepgerelateerde goederen. De raadsman heeft in dat verband terecht aangehaald dat de politie denkt dat verdachte een soort katvanger/stroman was. Termen die ook de officier van justitie heeft gebruikt in haar requisitoir. Het lijkt er inderdaad op dat verdachte niet alleen zijn bedrijfspand en bedrijfsnaam beschikbaar heeft gesteld aan [medeverdachte] , maar indirect ook zijn boekhouder. Die rol van verdachte zou eventueel als medeplichtigheid kunnen worden aangemerkt, maar dat is niet (subsidiair) ten laste gelegd. Verdachte zal worden vrijgesproken van het wel tenlastegelegde medeplegen van voorbereidingshandelingen voor grootschalige of bedrijfsmatige hennepteelt. Gelet op de vrijspraak behoeven de overige verweren geen bespreking.

5.De overwegingen omtrent het beslag

5.1
De teruggave
De rechtbank zal de teruggave gelasten van het hierna in de beslissing genoemde in beslag genomen voorwerp, te weten een computer, aan de persoon die redelijkerwijs als rechthebbende kan worden aangemerkt.
5.2
De onttrekking aan het verkeer
De overige hierna in de beslissing genoemde in beslag genomen voorwerpen zijn vatbaar voor onttrekking aan het verkeer. Weliswaar zal verdachte worden vrijgesproken, maar bij vonnis van gelijke datum onder parketnummer 02/293739-21 zal [medeverdachte] worden veroordeeld voor het plegen van voorbereidingshandelingen voor grootschalige of bedrijfsmatige hennepteelt. Dat feit is met de overige - formeel onder verdachte in beslag genomen - goederen gepleegd. Die goederen tezamen zijn van zodanige aard dat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet.

6.De toepasselijke wetsartikelen

De opgelegde maatregel berust op de artikelen 36b en 36c van het Wetboek van Strafrecht.

7.De beslissing

De rechtbank:
Vrijspraak
-
spreekt verdachte vrijvan het tenlastegelegde feit;
Beslag
- gelast de teruggave aan de rechthebbende van het inbeslaggenomen voorwerp, te weten:
* 1 STK Computer (G2306602);
- verklaart onttrokken aan het verkeer de inbeslaggenomen voorwerpen, te weten:
* de goederen bedoeld onder kweekapparatuur en groeimiddelen (G2306602), genoemd op pagina 83 tot en met 88 van het eindproces-verbaal met nummer PL2000-2021047674;
Dit vonnis is gewezen door mr. P. Kooijman, voorzitter, mr. R.J.H. de Brouwer en
mr. D.M.I.C. Schijns, rechters, in tegenwoordigheid van mr. A. van Krevel, griffier, en is uitgesproken ter openbare zitting op 23 september 2022.
Mr. Schijns is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.