ECLI:NL:RBZWB:2022:564
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Toekenning proceskostenvergoeding na intrekking beroep Wajong-uitkering
Verzoekster had bezwaar gemaakt tegen het besluit van het UWV om geen Wajong-uitkering toe te kennen. Na bezwaar verklaarde het UWV het bezwaar ongegrond, waarna verzoekster beroep instelde bij de rechtbank. Vervolgens wijzigde het UWV het besluit en kende met terugwerkende kracht vanaf 4 november 2020 een Wajong-uitkering toe. Hierdoor trok verzoekster het beroep in en verzocht om vergoeding van de proceskosten.
De rechtbank beoordeelde het verzoek om proceskostenvergoeding op grond van artikel 8:75a van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), dat een proceskostenveroordeling mogelijk maakt wanneer het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk tegemoet is gekomen aan het beroep. Omdat het UWV reeds proceskosten had vergoed voor de bezwaarfase, beperkte de rechtbank zich tot de beroepsfase.
De rechtbank wees het verzoek toe en veroordeelde het UWV tot vergoeding van € 759,- aan proceskosten voor de beroepsfase, gebaseerd op een puntensysteem voor rechtsbijstand. Daarnaast wees de rechtbank erop dat het griffierecht van € 49,- door het UWV moet worden vergoed op grond van artikel 8:41, zevende lid, Awb. De uitspraak werd gedaan door rechter L.P. Hertsig op 2 februari 2022.
Uitkomst: Het UWV wordt veroordeeld tot vergoeding van € 759,- aan proceskosten voor de beroepsfase.