De rechtbank Zeeland-West-Brabant heeft op 3 oktober 2022 uitspraak gedaan in de zaak tegen verdachte, die werd verdacht van het vernielen van een camera van de benadeelde partij. De zaak is behandeld op 19 september 2022, waarbij het bewijs bestond uit aangifte, videobeelden, en chatberichten die door de rechtbank als authentiek werden beoordeeld.
De verdediging voerde aan dat het proces-verbaal van bevindingen niet als bewijs mocht dienen omdat verdachte niet was gewaarschuwd en geen raadsman kon inschakelen. Ook ontbrak hard bewijs dat de camera daadwerkelijk vernield was. De rechtbank oordeelde dat vernieling niet bewezen was, maar dat het wegmaken van de camera wel wettig en overtuigend vaststond.
De rechtbank baseerde dit op de inhoud van chatberichten waarin verdachte onder een schuilnaam contact had met de benadeelde partij, waarbij hij details gaf over de locatie van de camera. Dit werd gezien als bewijs dat verdachte de camera had weggenomen. De rechtbank legde een geldboete van €225,- op, te betalen in vijf termijnen, met een vervangende hechtenis van vier dagen bij niet-betaling.
De vordering van de benadeelde partij tot schadevergoeding werd niet-ontvankelijk verklaard en verwezen naar de burgerlijke rechter, omdat de immateriële schade vooral verband hield met een andere strafzaak en de materiële schade onvoldoende was onderbouwd.
De rechtbank verklaarde verdachte strafbaar en veroordeelde hem voor het opzettelijk en wederrechtelijk wegmaken van een goed dat aan een ander toebehoort.