Belanghebbende maakte beroep tegen de vastgestelde WOZ-waarden van een sporthal over de jaren 2019 en 2021, vastgesteld respectievelijk op €3.280.000 en €2.930.000. De heffingsambtenaar hanteerde de gecorrigeerde vervangingswaarde, terwijl belanghebbende stelde dat de waarde op basis van kapitalisatie van huurwaarde moest worden bepaald.
De rechtbank oordeelde dat de heffingsambtenaar onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat de WOZ-waarde niet te hoog was, omdat niet was beoordeeld of de bedrijfswaarde lager was dan de vervangingswaarde. Belanghebbende overlegde een waarderapport waarin de huurwaardekapitalisatiemethode werd toegepast, wat de rechtbank geschikt achtte.
De rechtbank stelde de WOZ-waarde vast op €2.389.307 voor 2019 en €2.367.000 voor 2021, de waarden die belanghebbende had bepleit. Tevens werden de aanslagen onroerendezaakbelasting dienovereenkomstig verminderd en werd de heffingsambtenaar veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en griffierecht.