Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
uitspraak van 11 oktober 2022 van de voorzieningenrechter in de zaken tussen
[namen belanghebbenden],
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Verzoeksters maakten bezwaar tegen besluiten van het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Alphen-Chaam waarin zij werden gelast het produceren van hokken voor knaagdieren en het opslaan van goederen bestemd voor een dierenwinkel in een loods te staken. Het gebruik van de loods werd geconstateerd als strijdig met het bestemmingsplan, dat het perceel bestemde voor bedrijfsdoeleinden met de functieaanduiding 'specifieke vorm van bedrijf -70' en aangeduid als 'Kermis-exploitant'.
De voorzieningenrechter oordeelde dat het gebruik van de loods door verzoeksters niet valt onder de toegestane bestemming en dat het college terecht de last onder dwangsom heeft opgelegd. Verzoeksters hadden geen ontheffing aangevraagd en het college achtte legalisatie niet mogelijk vanwege milieuhinder en verkeersaantrekkende effecten. De voorzieningenrechter volgde het college in de uitleg van statische opslag en het onderscheid met de activiteiten van verzoeksters.
De voorzieningenrechter vond de termijn van twee weken om de overtreding te beëindigen niet onredelijk en concludeerde dat het verzoek om voorlopige voorziening moet worden afgewezen. Er was geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening tegen de last onder dwangsom wordt afgewezen.